Rode en Oranje Lijst samen
Deze pagina voegt de 87 soorten van de officiële Rode Lijst en de veertien soorten van de Oranje waarschuwingslijst samen. Er is geen overlap tussen beide selecties, zodat de gecombineerde groep uit 101 soorten bestaat.
De Rode Lijst beschrijft soorten die landelijk zijn verdwenen of bedreigd; de Oranje Lijst signaleert soorten die daar mogelijk naartoe bewegen. De combinatie is bruikbaar als breed overzicht van aandachtsoorten, maar vormt geen ecologische vogelgroep en heeft als geheel geen afzonderlijke juridische status.
Daling sinds 1990, herstel na 2010
In 1990 werden 801 territoria binnen de gecombineerde groep vastgesteld, ofwel 42,8 territoria per km². In 2010 waren dat er nog 146, goed voor 7,8 per km². Daarna herstelde het totaal tot 259 territoria en 13,8 per km² in 2025.
Dat is een toename van 77% sinds 2010, maar nog altijd 68% minder dan in 1990. Bovendien kwam in 2025 ongeveer 86% van het totaal uit de Rode-Lijstgroep en slechts 14% uit de Oranje-Lijstgroep. De recente stijging is dus geen breed herstel van alle aandachtsoorten.
Een sterk veranderde samenstelling
In 2025 waren Graspieper (59 territoria), Kneu (50) en Koekoek (27) samen goed voor meer dan de helft van het groepstotaal. Daarnaast waren Grote Lijster (21), Waterhoen (16), Grauwe Vliegenvanger (14), Huismus (12), Boerenzwaluw en Kievit (ieder 10), Kuifmees (9) en Roerdomp (8) belangrijk.
Daartegenover staan grote verliezen. Zomertortel, Ringmus, Wulp, Roek en Stormmeeuw leverden in 2025 geen territoria meer; van Tapuit en Spreeuw resteerde ieder één territorium. Groei van Graspieper en enkele bos-, moeras- en struweelsoorten compenseert dit verlies slechts gedeeltelijk.
De koloniefase in de grafiek
Het historische maximum van 3.173 territoria in 1983 werd sterk bepaald door Kokmeeuw en Stormmeeuw, beide van de Oranje Lijst. Zij leverden samen 2.322 territoria, 73% van het gecombineerde totaal. Na het verdwijnen van de Kokmeeuwkolonie en de sterke afname van de Stormmeeuw zakte de grafiek snel.
Ook in 1990 waren kolonievogels nog bepalend: Stormmeeuw en Roek leverden samen 342 van de 801 territoria. Het verdwijnen van de meeuwen- en later de Roekenkolonie verklaart daarom een groot deel van de afname, naast de achteruitgang van verspreid broedende soorten.
Leefgebieden en toegankelijkheid
De groep omvat vogels van open duin, korte grasvegetaties, struweel, bos, riet, open water en bebouwing. Het totaal kan daardoor niet als maat voor één habitat worden gelezen. Het laat vooral zien welke combinatie van landelijk kwetsbare en waarschuwingssoorten op een bepaald moment in Meijendel aanwezig is.
In 2024 lagen 102 van de 252 territoria, 40%, in volledig afgesloten terrein en 56 territoria, 22%, in terrein dat deels beperkt en deels vrij toegankelijk was. In volledig vrij toegankelijk terrein lagen 49 territoria, 19% van het totaal. De hoge dichtheden in de rustigere delen werden vooral gedragen door Kneu en Graspieper. Habitat, beheer en ligging verschillen echter tussen de toegankelijkheidsklassen; de cijfers bewijzen daarom geen zelfstandig effect van afsluiting.
Vergelijking met Nederland
Voor de gecombineerde groep bestaat geen rechtstreeks vergelijkbare landelijke index. De ontwikkelingen van de dominante soorten geven wel richting. Graspieper, Kneu en Koekoek laten landelijk in de laatste twaalf jaar een toename zien, wat aansluit bij het gedeeltelijke herstel in Meijendel.
De langdurige lokale verliezen passen eveneens in bredere ontwikkelingen: de Zomertortel is landelijk gedecimeerd, de Spreeuw nam sinds 1990 sterk af en ook Kievit en Stormmeeuw vertonen een landelijke afname. Meijendel wijkt op onderdelen af, maar het algemene beeld blijft dat herstel van enkele soorten het historische verlies niet volledig opheft.
Methodologie
De vaste selectie van 101 huidige Rode- en Oranje-Lijstsoorten is met terugwerkende kracht op alle teljaren toegepast. De grafiek toont dus hoe de soorten die nu op deze lijsten staan zich historisch in Meijendel hebben ontwikkeld.
De dichtheid is de som van alle vastgestelde territoria gedeeld door het geïnventariseerde oppervlak. Kolonievogels en verspreid broedende soorten tellen daarbij gelijkwaardig mee, waardoor een grote kolonie het totaal kan domineren. Een territorium is geen bewijs van een succesvol broedgeval.
Door de uitbreiding van het telgebied rond 1973 en de invoering van de BMP-systematiek in 1984 zijn de oudste jaren niet volledig vergelijkbaar met recente tellingen. Voor de ontwikkeling na de koloniefase ligt de nadruk daarom op de periode vanaf 1990.