Vogelgeluid
VWG Meijendel en openbare bronnenVogelgeluid van Snor
Opname: VWG Meijendel · VWG Meijendel · Alle rechten voorbehouden · bewerkt door VWG Meijendel
Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Snor is een echte moerasvogel. Door zijn effen bruine verenkleed doet hij enigszins aan een Nachtegaal denken; vroeger werd hij daarom ook wel Nachtegaalrietzanger genoemd. Het is een zomergast die ten zuiden van de Sahara overwintert.
De soort heeft een voorkeur voor opgaand, overjarig riet in ondiep water, met daaronder een goed ontwikkelde laag van geknakt riet en ander oud plantenmateriaal. Verspreide wilgen kunnen het leefgebied aantrekkelijker maken.
De Snor dankt zijn naam aan de langdurige, lage ratel, die wel wordt vergeleken met een snorrend spinnewiel. De zang lijkt op die van de Sprinkhaanzanger, maar is lager en wordt vooral gehoord in nat rietland. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en hun larven. Het nest wordt verborgen gebouwd in of onder oud, geknakt riet.
Voorkomen
De Nederlandse verspreiding concentreert zich in natte rietlanden in Laag-Nederland. Landelijk neemt de soort toe, maar de aantallen kunnen per gebied sterk verschillen door waterpeil en terreinbeheer. De staat van instandhouding blijft matig ongunstig.
Aan de kust is de Snor schaars. In Meijendel is hij nooit een regelmatige broedvogel geworden. Geschikte natte rietvegetaties zijn beperkt van omvang en broedterritoria worden slechts incidenteel vastgesteld.
Achtergrond
Een Snor kan lang verborgen blijven, zelfs wanneer hij vlakbij zingt. Vanaf een hoge rietstengel is het mannetje soms wel zichtbaar. De zang draagt bij rustig weer honderden meters ver en kan daardoor de indruk wekken dat de vogel dichterbij zit of dat er meerdere vogels aanwezig zijn.
Bescherming
De Snor profiteert van brede, overjarige rietzones met ondiep water en een natuurlijke afwisseling van jong en oud riet. Verdroging, onnatuurlijke peilwisselingen, verruiging en het volledig wegmaaien of oogsten van riet kunnen broedgebied ongeschikt maken. Beheer moet daarom gefaseerd plaatsvinden, met behoud van voldoende oud riet en rust tijdens het broedseizoen.
Bron: Sovon – Snor.
Vogelkenmerken
Rietspecialist van overjarige rietvelden met kniklaag en lage ondergroei.
Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Roerdomp-groep, Waterrietvogels). Rode Lijst: RL: Kwetsbaar. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Voedsel: Aandeel terrestrische ongewervelden: vrijwel uitsluitend (klasseproxy 100%). Aandeel vliegende prooien: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Aandeel zaden: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%).
Foerageren: Aandeel bodem en zeer lage vegetatie: substantieel (klasseproxy 50%). Aandeel actieve luchtvangst: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Foerageersubstraat: bodem, lage vegetatie, struiklaag. Foerageermethode: strooiselzoeken.
Nestplaats: Aandeel grondnesten: vrijwel uitsluitend (klasseproxy 100%). Nesthoogte: circa 0.1 meter. Aandeel holenbroeden: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Type nestholte: niet van toepassing. Oorsprong nestholte: niet van toepassing.
Trek: Aandeel langeafstandstrek: vrijwel uitsluitend (klasseproxy 100%). Overwinteringsregio: Afrika bezuiden Sahara. Trekstrategie: lang.
De percentages zijn vaste, brongebaseerde klasseproxies voor de soort in Nederland/NW-Europa; het zijn geen in Meijendel gemeten populatiepercentages.
Bronnen: Nederlands Soortenregister — vogelsoortteksten; Vogelbescherming Nederland — online vogelgids; Vogelbescherming Nederland — online vogelgids; Vogelbescherming Nederland — online vogelgids; Life-history characteristics of European birds; A global database of bird nest traits v2; EltonTraits 1.0