Een waarschuwingslijst van veertien soorten
De Oranje Lijst van Nederlandse broedvogels is een waarschuwingslijst van Vogelbescherming Nederland en Sovon. Zij bevat veertien soorten die niet op de officiële Rode Lijst staan, maar waarvan aantallen, verspreiding of vooruitzichten reden geven tot zorg. De Oranje Lijst heeft geen formele wettelijke status; zij is bedoeld om achteruitgang eerder zichtbaar te maken.
De soorten vormen geen ecologische eenheid. In Meijendel omvat de groep onder meer kolonievogels, vogels van open terrein, water- en moerasvogels en bosvogels.
Van 519 naar 37 territoria
In 1990 werden in Meijendel 519 territoria van Oranje-Lijstsoorten vastgesteld, ofwel 27,7 territoria per km². In 2010 waren dat er 55 en in 2025 nog 37, overeenkomend met 2,0 territoria per km². Sinds 1990 nam het groepstotaal daarmee met 93% af.
In 2025 bestond de groep vrijwel geheel uit Waterhoen (16 territoria), Kievit (10) en Kuifmees (9). Sperwer en Spreeuw leverden ieder één territorium. De huidige grafiek beschrijft dus een veel kleinere en anders samengestelde vogelgroep dan rond 1990.
De meeuwenkolonies (lees meer) bepalen het historische beeld
De uitzonderlijk hoge waarden aan het begin van de jaren tachtig kwamen vooral door de meeuwenkolonies (lees meer). In het piekjaar 1983 werden 2.510 territoria van Oranje-Lijstsoorten geteld. Daarvan waren er 1.780 van Kokmeeuw en 542 van Stormmeeuw: samen 92% van het groepstotaal.
De Kokmeeuw verdween na 1984 vrijwel onmiddellijk uit de tellingen. De Stormmeeuw nam af van 468 territoria in 1985 en 141 in 1990 tot nul in 2025. Deze omslag hangt samen met het uiteenvallen van de kolonies na de vestiging van de vos in de vastelandsduinen. Ook landelijk verdwenen grote Stormmeeuwenkolonies uit de Hollandse duinen.
Na de meeuwen drukte de Roek tijdelijk een sterk stempel op de grafiek: van 201 territoria in 1990 naar 310 in 1997, gevolgd door het verdwijnen van de kolonie in 1998. Daarnaast daalde de Spreeuw van 79 territoria in 1990 naar één in 2025 en het Waterhoen van 58 naar 16.
Leefgebieden en toegankelijkheid
De resterende soorten gebruiken verschillende delen van Meijendel. Waterhoen is gebonden aan plassen en begroeide oevers, Kievit aan open en kort begroeid terrein, Kuifmees en Sperwer aan bos en de Spreeuw aan holtes en nabijgelegen korte grasvegetaties. Een verandering van het groepstotaal kan daarom niet aan één habitattype worden toegeschreven.
In 2024 lagen 12 van de 42 territoria in volledig afgesloten terrein, 9 in beperkt toegankelijk terrein en 14 in vrij toegankelijk terrein. De verdeling wijkt maar beperkt af van de verdeling van het onderzochte oppervlak. Voor deze kleine, heterogene groep levert toegankelijkheid daarom geen eenduidige verklaring; habitat en de ligging van afzonderlijke nestplaatsen wegen zwaar mee.
Vergelijking met Nederland
De lokale ontwikkeling past voor verschillende soorten bij de landelijke waarschuwing. De Spreeuw nam landelijk sinds 1990 met ongeveer 60% af, al is er recent enig herstel. Het Waterhoen vertoont eveneens een langdurige landelijke afname en een recente toename. De Kievit neemt landelijk zowel sinds 1990 als in de laatste twaalf jaar af.
De Stormmeeuw neemt landelijk als broedvogel sinds 1986 af. De ontwikkeling in Meijendel is extremer: van honderden broedparen in de jaren tachtig naar incidentele of ontbrekende territoria in recente jaren.
Methodologie
De grafiek past de huidige selectie van veertien Oranje-Lijstsoorten met terugwerkende kracht toe op alle teljaren. Zij toont dus hoe de soorten die nu op deze waarschuwingslijst staan zich historisch in Meijendel hebben ontwikkeld.
De dichtheid is de som van alle vastgestelde territoria, gedeeld door het in dat jaar geïnventariseerde oppervlak. Daardoor kan één talrijke kolonievogel het groepstotaal sterk bepalen. Een territorium is bovendien geen bewijs van een succesvol broedgeval.
Door de uitbreiding van het telgebied rond 1973 en de invoering van de BMP-systematiek in 1984 zijn de oudste jaren niet volledig vergelijkbaar met de recente tellingen. Voor de ontwikkeling buiten de koloniefase ligt de nadruk daarom op de periode vanaf 1990.