Vogelgeluid
VWG Meijendel en openbare bronnenVogelgeluid van Ringmus
Opname: Vladimir Yu. Arkhipov, Arkhivov · Wikimedia Commons · CC BY-SA 3.0 · bewerkt door VWG Meijendel
Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Ringmus is vooral een vogel van kleinschalig boerenland, bosranden, erven en andere menselijke nederzettingen met bomen en struiken. Hij is minder sterk aan bebouwing gebonden dan de Huismus.
Ringmus en Huismus lijken oppervlakkig op elkaar, maar de Ringmus heeft een roodbruine kruin, een zwarte wangvlek, een kleinere bef en een smalle witte halsring. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit.
Ringmussen nestelen in boomholten, nestkasten en soms in nissen van gebouwen. Beide ouders bouwen het nest van gras en stro, broeden de eieren uit en verzorgen de jongen. Buiten het broedseizoen trekken ze vaak samen met Huismussen, vinkachtigen en gorzen in groepen rond.
Voorkomen
De Ringmus was lange tijd een kenmerkende broedvogel van het kleinschalige cultuurlandschap. Sinds de laatste decennia van de twintigste eeuw is de Nederlandse populatie sterk afgenomen. Ook de recente landelijke trend is nog duidelijk negatief.
In Meijendel zette de afname al rond het einde van de twintigste eeuw in. Aan het begin van deze eeuw werd voor het laatst een territorium vastgesteld. Daarmee is de Ringmus uit Meijendel verdwenen als regelmatige broedvogel.
Achtergrond
Ringmussen blijven meestal het hele jaar in dezelfde omgeving. Vooral jonge vogels zwerven wat verder rond. In de winter kunnen Nederlandse vogels gezelschap krijgen van soortgenoten uit noordelijke en oostelijke gebieden. Goede wintervoedselplekken in zaadrijke ruigten, stoppelvelden en overhoekjes zijn daarom minstens zo belangrijk als geschikte nestplaatsen.
Bescherming
De belangrijkste problemen zijn het verdwijnen van heggen, houtwallen, ruige perceelranden, graanresten en andere zaadrijke plekken. In het broedseizoen zijn bovendien voldoende insecten nodig voor de jongen. Behoud van kleinschalige landschapselementen, minder bestrijdingsmiddelen, wintervoedsel en geschikte nestholten of nestkasten kunnen de soort helpen.
Bron: Sovon – Ringmus.
Vogelkenmerken
Kolonieachtige holenbroeder van erven, singels en kleinschalig boerenland.
Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Grote Bonte Specht-groep, Holenbroeders, Houtduif-groep, Vogels van oud bos). Rode Lijst: RL: Gevoelig. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Voedsel: Aandeel terrestrische ongewervelden: beperkt (klasseproxy 25%). Aandeel vliegende prooien: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Aandeel zaden: overwegend (klasseproxy 75%).
Foerageren: Aandeel bodem en zeer lage vegetatie: overwegend (klasseproxy 66%). Aandeel actieve luchtvangst: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Foerageersubstraat: struiklaag. Foerageermethode: overige.
Nestplaats: Aandeel grondnesten: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Nesthoogte: circa 4 meter. Aandeel holenbroeden: vrijwel uitsluitend (klasseproxy 100%). Type nestholte: nestkast, gebouw of constructie. Oorsprong nestholte: natuurlijk, kunstmatig, bestaand, niet nader gespecificeerd.
Trek: Aandeel langeafstandstrek: niet of nauwelijks (klasseproxy 0%). Overwinteringsregio: Europa. Trekstrategie: stand.
De percentages zijn vaste, brongebaseerde klasseproxies voor de soort in Nederland/NW-Europa; het zijn geen in Meijendel gemeten populatiepercentages.
Bronnen: Nederlands Soortenregister — vogelsoortteksten; Vogelbescherming Nederland — online vogelgids; Vogelbescherming Nederland — online vogelgids; Vogelbescherming Nederland — online vogelgids; Life-history characteristics of European birds; Life-history characteristics of European birds; A global database of bird nest traits v2; A global database of bird nest traits v2; EltonTraits 1.0