Terug naar vogelgroepen

Grondbroeders

Deze groepspagina hoort bij Functionele vogelgroepen.

Twee verschillende berekeningen: vergelijk de binaire analyse met de gewogen gevoeligheidsanalyse.

Binaire analyse

Iedere geselecteerde soort telt volledig mee in de groepsdichtheid.

Binaire analyse: dichtheid per km2 voor Grondbroeders

Gewogen gevoeligheidsanalyse

Primair groepslidmaatschap telt voor 1,0 en secundair lidmaatschap voor 0,5 mee.

Gewogen gevoeligheidsanalyse: dichtheid per km2 voor Grondbroeders

Grondbroeders vormen geen afzonderlijke habitatgroep. De indeling omvat soorten die op of vlak boven de bodem of het wateroppervlak nestelen: van meeuwen, eenden en futen tot vogels van open duin, struweel en bosbodem. Daardoor kan de groepsgrafiek sterk veranderen wanneer één talrijke soort of kolonie toe- of afneemt.

Ontwikkeling in Meijendel

De binaire dichtheid bereikte in 1983 een uitzonderlijke piek van 662,65 territoria per km². Daarna volgde een sterke daling. Van 1990 tot 2025 nam de dichtheid af van 275,18 naar 221,72 territoria per km² en het aantal territoria van 5.153 naar 4.152. Het dieptepunt na 1990 lag in 2008 op 161,75. Daarna trad gedeeltelijk herstel op, met 244,42 in 2016.

De gewogen berekening laat hetzelfde verloop zien. De dichtheid daalde van 256,51 in 1990 naar 191,28 in 2025. Het naoorlogse maximum lag ook hier in 1983, op 645,71. Dat beide berekeningen sterk overeenkomen, komt doordat 52 van de 59 geselecteerde soorten als primaire grondbroeder volledig meetellen.

Welke soorten bepalen het beeld?

De grote piek in 1983 werd vooral veroorzaakt door 5.379 territoria van Zilvermeeuw, 1.780 van Kokmeeuw en 1.443 van Kleine Mantelmeeuw. Samen vormden deze drie soorten ruim twee derde van alle territoria binnen de groep. Na de terugkeer van de vos stortten de meeuwenkolonies (lees meer) in. In 2025 resteerde één territorium van Zilvermeeuw en één van Kleine Mantelmeeuw.

Ook buiten de meeuwen is de samenstelling ingrijpend veranderd. Tussen 1990 en 2025 nam de Tjiftjaf toe van 174 naar 766 territoria. Boomleeuwerik ging van nul naar 197, Boompieper van 43 naar 148 en Roodborsttapuit van 7 naar 134. De Fitis daalde juist van 1.379 naar 633 territoria en de Nachtegaal van 452 naar 270.

In 2025 waren Tjiftjaf, Fitis en Aalscholver met respectievelijk 766, 633 en 533 territoria de talrijkste soorten. De Aalscholver telt in de gewogen berekening voor de helft mee, omdat grondbroeden voor deze soort geen algemene of vaste neststrategie is. De groepsgrafiek beschrijft daardoor vooral een verschuiving van meeuwenkolonies (lees meer) naar bos-, struweel- en open-duinsoorten, en niet één gezamenlijke ontwikkeling van alle grondbroeders.

Habitat en toegankelijkheid

Geschikte nestplaatsen lopen uiteen van kaal zand en korte grazige vegetaties tot riet, ruigte, struweelbodem en oevers. Voor open-duinsoorten zijn voldoende kale of schaars begroeide plekken belangrijk. Fitis, Tjiftjaf en Nachtegaal hebben juist dekking in lage vegetatie nodig. Water- en kolonievogels stellen weer geheel andere eisen.

In 2024 was de binaire dichtheid in afgesloten telgebieden 349,38 territoria per km², tegenover 133,50 in vrij toegankelijke gebieden. Gewogen waren deze waarden 287,33 en 116,61. Dit verschil mag niet als een rechtstreeks effect van recreatie worden uitgelegd. Van de 442 Aalscholverterritoria lagen er 420 in afgesloten telgebieden. Ook habitat, beheer en de ligging van kolonies verschillen sterk tussen de toegankelijkheidsklassen.

Voor grondbroeders kan verstoring buiten de paden wel degelijk relevant zijn, maar daarvoor zijn gegevens over daadwerkelijk padgebruik, honden, nestlocaties en broedsucces nodig. De territoriumdichtheden alleen leveren dat bewijs niet.

Vergelijking met Nederland

Voor deze lokaal samengestelde functionele groep bestaat geen vergelijkbare landelijke groepsreeks. De belangrijkste soorten ontwikkelen zich landelijk bovendien verschillend.

De landelijke toename van de Tjiftjaf komt overeen met de sterke groei in Meijendel. De Fitis neemt zowel landelijk als in Meijendel af. Boomleeuwerik neemt landelijk sinds 1990 en ook recent toe; de vestiging en groei in Meijendel passen daarbij. De Boompieper neemt landelijk over de lange termijn toe, maar is recent stabiel, terwijl de soort in Meijendel verder toenam. Zie de landelijke gegevens van Tjiftjaf, Fitis, Boomleeuwerik en Boompieper.

Twee berekeningen

De grafieken omvatten 59 in Meijendel vastgestelde soorten. In de binaire berekening telt iedere geselecteerde soort volledig mee. In de gewogen berekening tellen zeven soorten met een minder vaste grondbroedstrategie voor de helft mee. Veertig soorten voldoen aan de strengere eisen voor een robuuste langjarige soorttrend.

De groepsdichtheid is geen maat voor broedsucces of nestveiligheid. Grote kolonies, veranderingen in vegetatie, predatie, recreatie, waterpeil en soortspecifieke ontwikkelingen kunnen het totaal allemaal beïnvloeden. Voor ecologische interpretatie moeten daarom steeds de aantallen per soort worden bekeken.

Methodische kanttekening

Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. In 1984 werd de landelijke BMP-methode ingevoerd. Vergelijkingen rond deze jaren vragen daarom extra voorzichtigheid. Lees meer over de vergelijkbaarheid van de tellingen.

Bij deze groep moet bovendien expliciet rekening worden gehouden met de voormalige meeuwenkolonies (lees meer). Hun groei en instorting bepalen een groot deel van de langetermijngrafiek. Lees meer over de meeuwenkolonie in Meijendel.

Meer weten?

Via de soortlinks bovenaan de pagina kan worden nagegaan welke soorten een piek of terugval veroorzaken. Het Dashboard biedt verdere uitsplitsing naar soort, jaar en telgebied. Voor gerichte achtergrond over recreatie bij een grondbroeder in het duin is het openbare Sovon-rapport Verstoring van duinbroedvogels door recreanten buiten de paden beschikbaar.