Terug naar vogelgroepen

Bodemfoeragerende insecteneters

Deze groepspagina hoort bij Functionele vogelgroepen.

Twee verschillende berekeningen: vergelijk de binaire analyse met de gewogen gevoeligheidsanalyse.

Binaire analyse

Iedere geselecteerde soort telt volledig mee in de groepsdichtheid.

Binaire analyse: dichtheid per km2 voor Bodemfoeragerende insecteneters

Gewogen gevoeligheidsanalyse

Primair groepslidmaatschap telt voor 1,0 en secundair lidmaatschap voor 0,5 mee.

Gewogen gevoeligheidsanalyse: dichtheid per km2 voor Bodemfoeragerende insecteneters

Deze functionele groep omvat zestig soorten die hun voedsel geheel of gedeeltelijk op de bodem, tussen lage vegetatie of in de strooisellaag zoeken. De groep loopt dwars door de Meijendelse habitats heen: van Boomleeuwerik, Graspieper en Roodborsttapuit in open duin tot Nachtegaal, Merel en Heggenmus in struweel en bosranden. De grafieken zijn daarom geen rechtstreekse maat voor de hoeveelheid insecten. Ook vegetatiestructuur, bodemvocht, bereikbaarheid van prooien, broedhabitat en ontwikkelingen buiten Meijendel beïnvloeden de aantallen.

Ontwikkeling in Meijendel

In de binaire berekening steeg de dichtheid van 235 territoria per km² in 1990 naar 256 in 2025: een toename van 9%. Daartussen lag een duidelijk dieptepunt van 174 territoria per km² in 2008. Na herstel tot 270 in 2016 volgde een lichte afname.

De gewogen berekening laat vrijwel hetzelfde patroon zien. Daarin steeg de dichtheid van 180 gewogen territoria per km² in 1990 naar 192 in 2025, een toename van 7%. Het dieptepunt lag in 2008 op 131. Dat beide grafieken hetzelfde verloop tonen, maakt de conclusie weinig gevoelig voor de gekozen weging.

Achter deze betrekkelijk stabiele groepsuitkomst gaan grote verschuivingen tussen soorten schuil. De Tjiftjaf nam toe van 174 territoria in 1990 naar 766 in 2025. Ook Vink, Zwartkop, Boomleeuwerik, Roodborsttapuit en Boompieper droegen sterk aan het herstel bij. Daartegenover daalde de Fitis van 1.379 naar 633 territoria, de Heggenmus van 508 naar 293 en de Nachtegaal van 452 naar 270. De groep is dus niet alleen in omvang, maar ook duidelijk in samenstelling veranderd.

Habitat, voedsel en toegankelijkheid

Voor bodemfoerageerders is niet alleen de hoeveelheid voedsel van belang, maar vooral of dat voedsel bereikbaar is. Een mozaïek van korte of open vegetatie, plaatselijk kale bodem, struweelranden en vochtige plekken biedt verschillende soorten zowel voedsel als dekking. Een hoge, homogene gras- of kruidlaag kan bodemdieren juist moeilijk bereikbaar maken.

Onderzoek aan Nachtegalen in Meijendel onderstreept dit. De vogels foerageren vooral in lage of ijle vegetatie nabij dekking en water. Een te dicht doorgegroeide kruidlaag lijkt ongunstig. Lichte begrazing of maaien kan open foerageerplekken maken, maar een te hoge graasdruk kan de noodzakelijke ondergroei aantasten. Het gaat daarom om afwisseling en kwaliteit, niet eenvoudigweg om meer of minder vegetatie. Lees het onderzoek van Van Oosten.

In 2024 bedroeg de binaire groepsdichtheid ongeveer 326 territoria per km² in afgesloten telgebieden, tegenover 199 in vrij toegankelijke gebieden. In de gewogen berekening was dit respectievelijk 252 en 137. Dit verschil bewijst geen effect van recreatie of afsluiting: afgesloten en toegankelijke gebieden verschillen ook sterk in habitat, ligging en vegetatiestructuur. Het is wel een aanwijzing dat toegankelijkheid bij verdere analyse samen met die gebiedskenmerken moet worden onderzocht.

Vergelijking met Nederland

Sovon publiceert geen rechtstreeks vergelijkbare landelijke dichtheidsreeks voor precies deze samengestelde groep. Bij de belangrijkste soorten zijn wel herkenbare overeenkomsten en verschillen zichtbaar.

De sterke groei van Tjiftjaf, Boomleeuwerik en Roodborsttapuit in Meijendel past bij hun landelijke toename. Ook de afname van Fitis en Heggenmus komt overeen met de landelijke ontwikkeling. De Nachtegaal vormt een opvallende uitzondering: landelijk neemt deze soort sinds 1990 toe, terwijl het aantal in Meijendel van 452 naar 270 territoria daalde. Dat maakt lokale veranderingen in struweelkwaliteit, vegetatiestructuur en beheer voor deze soort extra relevant. Zie de landelijke trends van Tjiftjaf, Fitis, Heggenmus, Nachtegaal, Boomleeuwerik en Roodborsttapuit.

Twee verschillende berekeningen

In de binaire analyse telt iedere geselecteerde soort volledig mee. In de gewogen gevoeligheidsanalyse tellen soorten die sterk van bodemfoerageren afhankelijk zijn voor 1,0 mee en soorten die deze strategie naast andere manieren van foerageren gebruiken voor 0,5.

De uitkomsten zijn dichtheden over het in dat jaar geïnventariseerde oppervlak. De gewogen waarden zijn rekenwaarden en geen aantallen werkelijk aanwezige territoria. De grafieken moeten daarom vooral worden gebruikt om het verloop door de tijd en de gevoeligheid voor de groepsindeling te vergelijken.

Methodische kanttekening

Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. In 1984 werd de landelijke BMP-methode ingevoerd. Vergelijkingen rond deze jaren vragen daardoor extra voorzichtigheid. Lees meer over de vergelijkbaarheid van de tellingen.

De Kokmeeuw behoort als primair lid tot deze groep. De meeuwenkolonie beïnvloedt daarom het historische groepsbeeld sterk: in 1983 werden 1.780 Kokmeeuwterritoria geteld, ruim een kwart van alle territoria in de binaire groepsberekening. Vanaf 1985 ontbreekt de soort als broedvogel in deze reeks. De hoge waarden rond 1980–1984 kunnen daarom niet zonder meer met de huidige situatie worden vergeleken. Lees meer over de meeuwenkolonie.

Meer weten?

Via de soortlinks bovenaan deze pagina kan worden nagegaan welke soorten de ontwikkeling bepalen. Het Dashboard biedt verdere uitsplitsing naar soort, telgebied en jaar. Voor onderzoek naar mogelijke verklaringen moeten de vogelgegevens worden gecombineerd met vegetatiestructuur, bodemvocht, begrazing, toegankelijkheid en beheer.