Twee verschillende berekeningen: vergelijk de binaire analyse met de gewogen gevoeligheidsanalyse.
Binaire analyse
Iedere geselecteerde soort telt volledig mee in de groepsdichtheid.
Gewogen gevoeligheidsanalyse
Primair groepslidmaatschap telt voor 1,0 en secundair lidmaatschap voor 0,5 mee.
Zaadeters
De functionele groep Zaadeters omvat vogelsoorten waarvoor zaden, granen, noten of pitten gedurende een belangrijk deel van het jaar een primaire of substantiële voedselbron vormen. Sommige soorten zijn hier vrijwel volledig van afhankelijk, terwijl andere hun dieet aanvullen met insecten, vruchten of ander voedsel. Vooral buiten het broedseizoen vormen zaden voor veel soorten de belangrijkste energiebron.
In Meijendel wordt de beschikbaarheid van zaden bepaald door de vegetatiesamenstelling, de ontwikkeling van kruidenrijke graslanden, ruigten, struwelen en bosranden, maar ook door natuurbeheer, begrazing, maaibeheer en natuurlijke successie. De hoeveelheid en diversiteit aan zaaddragende planten varieert sterk tussen habitats en tussen jaren. Daardoor reageren zaadetende vogels niet alleen op veranderingen in het landschap, maar ook op schommelingen in de jaarlijkse zaadproductie.
Twee verschillende berekeningen
Op deze pagina staan twee grafieken. Beide zijn gebaseerd op dezelfde broedvogelgegevens, maar gebruiken een verschillende methode om de groepsdichtheid te berekenen.
In de binaire analyse telt iedere geselecteerde soort volledig mee. Alle soorten krijgen daarbij hetzelfde gewicht, ongeacht de mate waarin zij werkelijk afhankelijk zijn van zaden als voedselbron.
In de gewogen gevoeligheidsanalyse telt primair groepslidmaatschap voor 1,0 en secundair groepslidmaatschap voor 0,5. Soorten die vrijwel volledig van zaden leven, wegen daardoor zwaarder mee dan soorten waarvoor zaden slechts een belangrijk onderdeel van een gevarieerd dieet vormen.
De twee grafieken laten zien in hoeverre de waargenomen ontwikkeling afhankelijk is van de gekozen groepsindeling. Wanneer beide berekeningen een vergelijkbaar verloop vertonen, wijst dat op een robuuste ontwikkeling van de groep. Verschillen tussen beide grafieken maken zichtbaar welke invloed soorten met een minder uitgesproken zaaddieet op de gezamenlijke trend hebben.
De grafieken vormen geen directe maat voor de hoeveelheid beschikbaar zaad. De ontwikkeling van zaadetende vogels wordt eveneens beïnvloed door broedsucces, winteroverleving, weersomstandigheden, concurrentie en veranderingen in de kwaliteit van het leefgebied. In combinatie met de andere functionele groepen geven zij echter waardevolle informatie over de ontwikkeling van voedselbronnen binnen het duinecosysteem.
Methodische kanttekening
Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Daarnaast werd in 1984 de landelijke BMP-methode van Sovon ingevoerd. Veranderingen rond deze jaren kunnen daarom mede samenhangen met wijzigingen in het onderzoeksgebied en de telmethode. (lees meer)
Daarnaast kunnen de grafieken worden beïnvloed door de sterke groei van de meeuwenkolonies (lees meer) vanaf de jaren zeventig en hun vrijwel volledige verdwijnen na de terugkeer van de vos in de tweede helft van de jaren tachtig. In sommige jaren omvatten deze kolonies meer broedparen dan alle overige broedvogels van Meijendel samen. Wanneer meeuwensoorten deel uitmaken van deze functionele groep, kan dit de gezamenlijke dichtheid beïnvloeden.
De langetermijnontwikkeling blijft echter goed bruikbaar voor ecologische interpretatie, mits beide grafieken gezamenlijk worden beoordeeld en rekening wordt gehouden met de invloed van dominante soorten.
Meer weten?
Via het Dashboard kunnen de onderliggende gegevens verder worden verkend per soort, telgebied en periode. Zo is na te gaan welke soorten de ontwikkeling van de groep bepalen en hoe de binaire en gewogen analyse zich tot elkaar verhouden. Voor onderzoekers biedt de Shiny-app uitgebreide mogelijkheden om trends statistisch te analyseren en relaties te onderzoeken met vegetatieontwikkeling, begrazing, natuurbeheer, successie en andere factoren die de beschikbaarheid van zaden en daarmee de ontwikkeling van zaadetende vogels kunnen beïnvloeden.