Terug naar vogelgroepen

Langeafstandstrekkers

Deze groepspagina hoort bij Functionele vogelgroepen.

Twee verschillende berekeningen: vergelijk de binaire analyse met de gewogen gevoeligheidsanalyse.

Binaire analyse

Iedere geselecteerde soort telt volledig mee in de groepsdichtheid.

Binaire analyse: dichtheid per km2 voor Langeafstandstrekkers

Gewogen gevoeligheidsanalyse

Primair groepslidmaatschap telt voor 1,0 en secundair lidmaatschap voor 0,5 mee.

Gewogen gevoeligheidsanalyse: dichtheid per km2 voor Langeafstandstrekkers

Langeafstandstrekkers broeden in Meijendel, maar brengen de winter grotendeels ten zuiden van Europa door. De groep telt 39 soorten en loopt ecologisch sterk uiteen: van Fitis en Grasmus in struweel tot Kleine Karekiet in riet, Boompieper in open duin en Gekraagde Roodstaart in bosranden. Hun ontwikkeling wordt daardoor bepaald door omstandigheden in Meijendel én tijdens de trek en overwintering in Afrika.

Ontwikkeling in Meijendel

Sinds 1990 is de gezamenlijke dichtheid afgenomen van ongeveer 160 naar 126 territoria per km² in 2025: een daling van circa 21%. Het hoogste niveau na 1990 werd in 1995 bereikt, met 168 territoria per km². Daarna volgde een langdurige afname, met een dieptepunt van 103 territoria per km² in 2008. Vervolgens trad gedeeltelijk herstel op, maar het niveau van de jaren negentig werd niet meer bereikt.

Achter deze groepsontwikkeling gaan sterk verschillende soorttrends schuil. De Fitis bleef de talrijkste langeafstandstrekker, maar daalde van 1.379 territoria in 1990 naar 633 in 2025. Ook Kleine Karekiet en Nachtegaal namen af, respectievelijk van 383 naar 136 en van 452 naar 270 territoria.

Daartegenover staan duidelijke toenames. De Grasmus steeg van 293 naar 529 territoria, de Tuinfluiter van 46 naar 214 en de Boompieper van 43 naar 148. De Blauwborst, die in 1990 nog ontbrak, kwam in 2025 op 38 territoria. Deze toenames compenseren een deel van de verliezen, maar niet de sterke afname van vooral de Fitis.

Meer dan alleen de trekroute

Het verblijf in Afrika kan belangrijk zijn voor de overleving. Zo reageert de Grasmus sterk op droge en natte perioden in de Sahel. Toch kan de ontwikkeling van de groep niet uitsluitend vanuit het overwinteringsgebied worden verklaard. Soorten die vergelijkbare trekwegen volgen, laten in Meijendel soms tegengestelde trends zien.

Dat wijst ook op het belang van lokale omstandigheden, zoals de hoeveelheid jong struweel, ouder wordende begroeiing, open duin, bosranden, rietvegetaties, voedselaanbod en broedsucces. Lopend onderzoek aan Fitissen in Meijendel laat zien dat overleving, jongenproductie, het aandeel ongepaarde mannetjes en nestpredatie allemaal deel van het verhaal kunnen zijn. De beschikbare cijfers tonen samenhang, maar bewijzen niet welke factor de aantalsverandering veroorzaakt.

Habitat en toegankelijkheid

Omdat deze functionele groep soorten uit uiteenlopende habitats omvat, verschilt de dichtheid sterk tussen delen van Meijendel. In 2024 werden in afgesloten kavels ongeveer 181 territoria per km² gevonden, tegenover 118 in beperkt toegankelijke en 71 in vrij toegankelijke kavels.

Dit verschil mag niet rechtstreeks als een effect van recreatie worden uitgelegd. In afgesloten delen liggen relatief veel geschikte struwelen en rietvegetaties, met hoge aantallen Fitis, Grasmus, Nachtegaal, Tuinfluiter en Kleine Karekiet. De toegankelijkheid valt hier dus samen met grote verschillen in habitat en soortensamenstelling.

Vergelijking met Nederland

Ook landelijk lopen de ontwikkelingen uiteen. De Fitis neemt sinds 1990 en gedurende de laatste twaalf jaar significant af. De Grasmus en Boompieper zijn sinds 1990 juist toegenomen. De Kleine Karekiet is landelijk sinds 1990 ongeveer stabiel, terwijl de soort in Meijendel sterk is afgenomen. De Nachtegaal neemt landelijk toe, maar staat in Meijendel duidelijk lager dan rond 1990. De recente groei van de Tuinfluiter in Meijendel volgt op een eerdere afname en sluit aan bij de landelijke toename gedurende de laatste twaalf jaar.

De groep Langeafstandstrekkers vormt daarmee geen landelijk of lokaal eensgezind geheel. De trekstrategie verbindt de soorten, maar verschillen in broedhabitat en lokale ontwikkeling blijven minstens zo belangrijk.

Twee berekeningen

De grafieken tonen zowel een binaire als een gewogen berekening. Bij de binaire berekening telt iedere geselecteerde soort volledig mee. In de gewogen berekening tellen 36 kernsoorten volledig mee en krijgen Slobeend, Tureluur en Watersnip een gewicht van 0,5, omdat zij slechts gedeeltelijk bij deze functionele groep aansluiten.

Beide lijnen liggen vrijwel op elkaar. De ontwikkeling wordt dus bepaald door de kernsoorten en niet door de drie minder kenmerkende soorten.

Methodische kanttekening

De cijfers zijn gebaseerd op territoria uit de broedvogelkarteringen van Meijendel. Om jaren met een verschillend geïnventariseerd oppervlak te kunnen vergelijken, wordt het aantal territoria gedeeld door het in dat jaar onderzochte oppervlak. Het resultaat is een dichtheid per km².

De groepsgrafiek vat veel soorten samen en kan daardoor tegengestelde ontwikkelingen verbergen. Voor de ecologische duiding moeten daarom altijd ook de afzonderlijke soortgrafieken en de verdeling over habitats worden bekeken. De cijfers beschrijven ontwikkelingen en gelijktijdige veranderingen; zij leveren op zichzelf geen bewijs voor oorzaken.

Meer weten?

Lees het achtergrondverhaal Van Meijendel naar Afrika en terug en het artikel Op zoek naar knelpunten voor Fitissen in Meijendel in Holland’s Duinen 88.

Landelijke trends en soortinformatie staan bij Sovon, onder meer voor Fitis, Grasmus, Tuinfluiter, Boompieper, Kleine Karekiet en Nachtegaal.