Twee verschillende berekeningen: vergelijk de binaire analyse met de gewogen gevoeligheidsanalyse.
Binaire analyse
Iedere geselecteerde soort telt volledig mee in de groepsdichtheid.
Gewogen gevoeligheidsanalyse
Primair groepslidmaatschap telt voor 1,0 en secundair lidmaatschap voor 0,5 mee.
Holenbroeders gebruiken natuurlijke of kunstmatige besloten nestplaatsen. Dat kunnen boomholten en spleten achter schors zijn, maar ook konijnenholen, steilwanden, gebouwen en nestkasten. De groep omvat daardoor soorten uit bos, open duin, oevers en bebouwing en is geen afzonderlijke habitatgroep.
Ontwikkeling in Meijendel
Sinds 1990 bleef de totale dichtheid vrijwel gelijk. De dichtheid daalde licht van 66,86 territoria per km² in 1990 naar 65,36 in 2025. Het aantal territoria ging van 1.252 naar 1.224, een afname van ongeveer 2%.
Tussen deze jaren waren de schommelingen aanzienlijk. In 2005 werd met 807 territoria en 43,10 territoria per km² het laagste niveau sinds 1990 bereikt. Daarna volgde herstel tot een maximum van 1.596 territoria en 85,23 per km² in 2016. Vervolgens daalde de dichtheid weer naar 69,10 in 2024 en 65,36 in 2025.
Welke soorten bepalen het beeld?
In 1990 waren Koolmees met 351 territoria, Kauw met 153, Pimpelmees met 146 en Gekraagde Roodstaart met 117 de talrijkste soorten. In 2025 werd de groep vooral bepaald door Koolmees met 388, Pimpelmees met 270, Grote Bonte Specht met 132, Boomkruiper met 101 en Gekraagde Roodstaart met 81 territoria.
De grootste toenames sinds 1990 zijn zichtbaar bij Pimpelmees, van 146 naar 270 territoria, Grote Bonte Specht, van 38 naar 132, en Boomkruiper, van 28 naar 101. Deze ontwikkeling past bij het ouder worden van delen van het bos en het grotere aanbod van forse bomen, ruwe schors en door spechten gemaakte holten. De territoriumcijfers tonen echter niet rechtstreeks hoeveel nestholten beschikbaar zijn.
Andere holenbroeders verdwenen vrijwel uit Meijendel. De Spreeuw daalde van 79 territoria in 1990 naar één in 2025, de Tapuit van 26 naar één en de Bonte Vliegenvanger van 6 naar één. De Ringmus, met 26 territoria in 1990, werd in 2025 niet meer als broedvogel vastgesteld. De vrijwel stabiele groepsdichtheid verhult dus een sterke verschuiving van soorten van open duin en bebouwing naar algemene bosvogels.
Habitat en nestgelegenheid
Boomholten ontstaan door veroudering en beschadiging van bomen of worden uitgehakt door spechten. Spechten zijn daardoor niet alleen holenbroeders, maar leveren ook nestplaatsen voor soorten die zelf geen hol kunnen maken. Staand dood hout, oude loofbomen en minder intensief beheerde bosdelen kunnen voor dit deel van de groep belangrijk zijn.
Voor andere soorten gelden geheel andere voorwaarden. Tapuiten gebruiken vooral oude konijnenholen, Oeverzwaluwen steile zandwanden en Gierzwaluwen, Huismussen en Spreeuwen openingen in gebouwen. Nestkasten kunnen lokaal de aantallen mezen en andere kleine holenbroeders beïnvloeden. De groepsgrafiek kan daarom niet als één maat voor de hoeveelheid natuurlijke boomholten worden gebruikt.
Toegankelijkheid
In 2024 bedroeg de dichtheid 52,61 territoria per km² in afgesloten telgebieden en 76,37 in vrij toegankelijke gebieden. In beperkt toegankelijke gebieden was de dichtheid 74,98. Er is daarmee geen eenvoudig verband tussen afsluiting en de dichtheid van holenbroeders.
De verschillen weerspiegelen waarschijnlijk vooral de verdeling van bos, gebouwen, oevers en andere geschikte nestplaatsen over de telgebieden. Uit deze cijfers kan geen effect van recreatie of afsluiting worden afgeleid.
Vergelijking met Nederland
Voor deze lokaal samengestelde functionele groep bestaat geen rechtstreeks vergelijkbare landelijke groepsreeks.
De landelijke toenames van Koolmees, Pimpelmees, Grote Bonte Specht en Boomkruiper passen bij hun ontwikkeling in Meijendel. Bij deze soorten wordt landelijk onder meer gewezen op ouder wordende bossen en toenemende opgaande beplanting. Zie de landelijke gegevens van Koolmees, Pimpelmees, Grote Bonte Specht en Boomkruiper.
De Spreeuw nam landelijk sinds 1990 sterk af, al is recent enig herstel zichtbaar. In Meijendel bleef herstel uit en resteerde in 2025 één territorium. Ook de Tapuit kende landelijk een zeer sterke langetermijnafname, gevolgd door recent herstel. In Meijendel daalde de soort eveneens tot één territorium. Zie Spreeuw en Tapuit.
Twee berekeningen
De grafieken omvatten 34 geselecteerde soorten, waarvan 28 voldoen aan de strengere eisen voor een robuuste langjarige soorttrend. Alle 34 soorten zijn als primaire holenbroeder ingedeeld en hebben gewicht 1,0. Daardoor zijn de binaire en gewogen grafiek exact gelijk. De tweede grafiek levert bij deze groep dus geen aanvullende gevoeligheidsinformatie op.
De dichtheid is een optelsom van territoria en geen rechtstreekse maat voor nestgelegenheid of broedsucces. Voedsel, habitat, weersomstandigheden en soortspecifieke ontwikkelingen beïnvloeden de aantallen eveneens.
Methodische kanttekening
Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. In 1984 werd de landelijke BMP-methode ingevoerd. Vergelijkingen rond deze jaren vragen daarom extra voorzichtigheid. Lees meer over de vergelijkbaarheid van de tellingen.
Meer weten?
Via de soortlinks bovenaan de pagina kan worden nagegaan welke soorten een piek of terugval veroorzaken. Het Dashboard biedt verdere uitsplitsing naar soort, jaar en telgebied.
Natuurkennis over oude bomen en dood hout geeft achtergrond bij natuurlijke nestholten. Het openbare Sovon-rapport Populatiedynamiek en bescherming van Tapuiten beschrijft het belang van konijnenholen voor een holenbroeder van het open duin.