Terug naar vogelgroepen

Soorten van bos, struweel en bosranden

Deze groepspagina hoort bij Ecologische vogelgroepen.

Deze ecologische vogelgroep omvat 28 soorten van bosranden, boomgroepen, struwelen en halfopen landschappen. Het is geen groep van uitsluitend gesloten bos. Boomleeuwerik, Boompieper en Roodborsttapuit hebben juist open terrein met verspreide bomen en struiken nodig. Cetti’s Zanger gebruikt vochtige struweelranden, terwijl Aalscholver en Blauwe Reiger in bomen broeden.

De groep verbindt daardoor verschillende onderdelen van het landschap. De ontwikkeling wordt niet alleen bepaald door de oppervlakte bos en struweel, maar ook door bosranden, open plekken, vochtige overgangen, hoge nestbomen en aangrenzend open terrein.

Ontwikkeling in Meijendel

In 2025 werden 3.438 territoria vastgesteld, ofwel 184 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 3.308 territoria en 177 territoria per km². Het totale aantal nam sinds 1990 dus met slechts 4% toe.

Na 1990 lag het laagste totaal in 2008, met 2.520 territoria. Het maximum werd in 2016 bereikt, met 3.956 territoria. Dat hoge totaal werd mede veroorzaakt door 865 bezette territoria of nesten van Aalscholvers. In 2025 waren dat er 533.

De daling van 3.770 territoria in 1983 naar 1.601 in 1984 valt samen met de invoering van de BMP-methode. Deze sprong kan daarom niet volledig als ecologische verandering worden geïnterpreteerd.

De Aalscholverkolonie beïnvloedt het totaal sterk

In 2025 werden 21 van de 28 groepssoorten vastgesteld. Fitis met 633 territoria, Aalscholver met 533 en Grasmus met 529 waren samen goed voor bijna de helft van het totaal.

Daarna volgden Heggenmus met 293, Nachtegaal met 270, Tuinfluiter met 214, Boomleeuwerik met 197, Boompieper met 148 en Roodborsttapuit met 134 territoria.

De Aalscholver nam toe van één territorium in 1990 naar 533 in 2025. Zonder deze soort daalde het totale aantal van de overige groepssoorten sinds 1990 met ongeveer 12%. De vrijwel stabiele groepssom verhult dus een afname bij een belangrijk deel van de oorspronkelijke vogelgemeenschap.

De Fitis daalde van 1.379 naar 633 territoria, de Heggenmus van 508 naar 293 en de Nachtegaal van 452 naar 270. Ook Ekster, Groene Specht en Gekraagde Roodstaart namen af.

Daartegenover stonden sterke toenames van Grasmus, Tuinfluiter, Boomleeuwerik, Boompieper en Roodborsttapuit. De Cetti’s Zanger, die in 1990 nog ontbrak, bereikte in 2025 80 territoria.

Barmsijs, Blauwe Reiger, Draaihals, Geelgors, Kramsvogel, Roodmus en Spotvogel werden in 2025 niet als territoriumsoort vastgesteld.

Lokale en landelijke ontwikkeling

De groepsindex voor Meijendel steeg van 100 in 1990 naar ongeveer 224 in 2025. De landelijke index steeg naar ongeveer 241 in 2024. Zowel lokaal als landelijk is de gemiddelde soortontwikkeling dus sterk positief, al bleef Meijendel iets achter.

Dat de groepsindex ruim verdubbelde terwijl het totale aantal territoria nauwelijks veranderde, komt door de berekeningswijze. Iedere soort telt in de groepsindex ongeveer even zwaar. De vestiging of sterke toename van aanvankelijk schaarse soorten, zoals Cetti’s Zanger, Boomleeuwerik en Roodborsttapuit, weegt daardoor zwaar. In het territoriatotaal domineren juist de talrijkste soorten en de Aalscholverkolonie.

De lokale afname van de Fitis past bij de landelijke achteruitgang. De Boomleeuwerik steeg in Meijendel van 43 territoria in 1990 naar 197 in 2025; ook landelijk neemt deze soort toe.

De Boompieper nam lokaal toe van 43 naar 148 territoria. Dat sluit aan bij de landelijke langetermijntoename, al is de landelijke stand recent stabiel. De snelle vestiging van de Cetti’s Zanger past bij de sterke landelijke uitbreiding sinds ongeveer 2005.

De groei van de Aalscholver in Meijendel past bij de landelijke uitbreiding van broedkolonies, maar de omvang van één lokale kolonie kan van jaar tot jaar sterk fluctueren.

Habitat en toegankelijkheid

Als praktische habitatbenadering zijn H2160 Duindoornstruwelen en de drie typen van H2180 Duinbossen samengenomen. De habitatkartering uit 2014 bevat binnen de vogelplots ongeveer 821 hectare van deze habitats:

  • 380 hectare duindoornstruweel;
  • 381 hectare droog duinbos;
  • 28 hectare vochtig duinbos;
  • 33 hectare duinbos van de binnenduinrand.

Dit is geen exacte afbakening van het leefgebied. De beschikbare gegevens meten geen lengte of kwaliteit van bosranden en geven geen volledig beeld van open plekken, losse boomgroepen, jonge opslag of vochtige overgangen. Juist deze structuren zijn voor veel soorten essentieel.

Van de 821 hectare lag volgens de toegangsstatus van 2024 ongeveer 19% in afgesloten plots en 31% in plots met beperkte toegang. Ongeveer 15% lag in deels afgesloten of deels beperkt toegankelijke plots en 35% in volledig vrij toegankelijke plots.

De toegangsstatus meet geen daadwerkelijke bezoekersdruk of verstoring bij nesten. De vogeltellingen in afgesloten terreinen worden uitgevoerd door tellers met toestemming.

Methodologie

De dichtheid is berekend over het volledige onderzochte plotoppervlak en niet uitsluitend over bos, struweel of bosranden.

De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices. Iedere soort telt daarin ongeveer even zwaar. Daardoor kunnen uitbreidende, aanvankelijk schaarse soorten een sterke stijging veroorzaken, terwijl het totale aantal territoria nauwelijks verandert.

Bij kolonievogels zoals de Aalscholver hebben veranderingen in het aantal bezette nesten direct veel invloed op het territoriatotaal. De groepsindex en de totale dichtheid beantwoorden daarom verschillende vragen en moeten naast elkaar worden gelezen.

Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid. Rond 1984 veranderde de telmethode door de invoering van BMP. Veranderingen rond deze jaren moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd.

Meer weten?