Terug naar vogelgroepen

Struiken en struwelen

Deze groepspagina hoort bij Ecologische vogelgroepen.

De ecologische vogelgroep Struiken en struwelen omvat 25 soorten die gebruikmaken van struiken, ruigten, jonge opslag en de overgangen naar open duin of bos. In Meijendel gaat het onder andere om duindoorn-, meidoorn- en ligusterstruwelen, maar ook om vochtige struweelranden en kruidenrijke ondergroei.

De soorten stellen verschillende eisen. Fitis en Grasmus gebruiken vooral jong of open struweel, terwijl Zwartkop en Roodborst vaker voorkomen in hoger en dichter opgaand groen. Voor Nachtegaal is juist de combinatie van beschut struweel, een toegankelijke bodemvegetatie en nabijgelegen voedselrijke plekken belangrijk.

Ontwikkeling in Meijendel

In 2025 werden 3.695 territoria vastgesteld, ofwel 197 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 4.461 territoria en 238 territoria per km². Het totale aantal nam sinds 1990 dus met 17% af.

Na 1990 werd het hoogste totaal in 2001 bereikt, met 4.745 territoria. Daarna volgde een sterke daling tot 3.164 territoria in 2008. Sindsdien schommelt het totaal, met een gedeeltelijk herstel tot 3.695 territoria in 2025.

Vóór 1984 laat de grafiek een sterke uitbreiding van de struweelvogelstand zien. De daling van 4.739 territoria in 1983 naar 2.055 in 1984 valt echter samen met de invoering van de BMP-methode. Deze sprong kan daarom niet volledig als ecologische verandering worden geïnterpreteerd.

Sterke verschuiving in de samenstelling

In 2025 werden 21 van de 25 groepssoorten vastgesteld. De Fitis was met 633 territoria nog steeds de talrijkste soort, gevolgd door Grasmus met 529, Zwartkop met 384, Roodborst met 306, Winterkoning met 303, Heggenmus met 293 en Nachtegaal met 270 territoria.

Achter dit totaal gaan tegengestelde ontwikkelingen schuil. De Fitis daalde van 1.379 territoria in 1990 naar 633 in 2025, een afname van 54%. Ook Winterkoning, Heggenmus, Nachtegaal en Merel namen duidelijk af.

Andere soorten werden juist talrijker. De Grasmus steeg van 293 naar 529 territoria, de Zwartkop van 119 naar 384 en de Tuinfluiter van 46 naar 214. De Roodborsttapuit nam toe van 7 naar 134 territoria. De groep verschoof daarmee van een sterke dominantie door Fitis naar een veel gelijkmatiger verdeling over verschillende soorten.

De Zomertortel, in 1990 nog met 33 territoria aanwezig, ontbrak in 2025. Ook Fazant, Paapje en Spotvogel werden dat jaar niet vastgesteld. Goudvink en Matkop waren met respectievelijk twee en één territorium nog slechts marginaal aanwezig.

Lokale en landelijke ontwikkeling

De groepsindex voor Meijendel daalde van 100 in 1990 naar ongeveer 75 in 2025. De landelijke index steeg licht, van 100 naar ongeveer 105 in 2024. De gemiddelde ontwikkeling van de struweelsoorten is in Meijendel dus duidelijk ongunstiger dan landelijk.

De lokale afname van de Fitis past bij de landelijke achteruitgang. De Grasmus nam zowel in Meijendel als landelijk toe, al lag het lokale aantal in 2025 onder de 665 territoria uit 2001. Ook de sterke toename van de Zwartkop sluit aan bij de landelijke ontwikkeling.

De Nachtegaal ontwikkelt zich anders. Landelijk neemt de soort sinds 1990 toe, terwijl het aantal in Meijendel daalde van 452 territoria in 1990 naar 270 in 2025. De soort blijft hier talrijk, maar de afname is opvallend omdat de Nederlandse duinen een belangrijk broedgebied vormen.

Het verdwijnen van de Zomertortel uit Meijendel past bij de zeer sterke landelijke achteruitgang van deze soort.

Habitatkwaliteit is meer dan oppervlakte

H2160 Duindoornstruwelen vormt de beste beschikbare habitatbenadering voor deze vogelgroep. De habitatkartering uit 2014 bevat binnen de vogelplots ongeveer 380 hectare H2160. Dit is geen volledige afbakening van het leefgebied: veel soorten gebruiken ook meidoornstruwelen, ruigten, bosranden en vochtige vegetaties.

Onderzoek aan Nachtegalen in Meijendel laat zien dat niet alleen de hoeveelheid struweel belangrijk is. Nesten lagen vaak onder of langs struweel met een gevarieerde ondergroei, terwijl nabijgelegen lage of open vegetatie werd gebruikt om voedsel te zoeken. Rond infiltratieplassen kunnen daarnaast veel insecten beschikbaar zijn.

Het onderzoek suggereert dat de structuur en kwaliteit van het struweel belangrijker kunnen zijn dan alleen de oppervlakte. Lichte begrazing kan plaatselijk voor open en kort begroeide voedselplekken zorgen, maar een te hoge graasdruk kan juist nestvegetatie doen verdwijnen. De gunstigste situatie lijkt een afwisseling van beschutting, open bodem, kruidenvegetatie en nabijgelegen voedselrijke plekken. Dit is een ecologische aanwijzing en geen aangetoond causaal verband voor de ontwikkeling van de hele vogelgroep.

Toegankelijkheid

Van de 380 hectare H2160 lag volgens de toegangsstatus van 2024 ongeveer 29% in afgesloten plots en 34% in plots met beperkte toegang. Ongeveer 12% lag in deels afgesloten of deels beperkt toegankelijke plots en 25% in volledig vrij toegankelijke plots.

Dicht struweel biedt broedvogels enige natuurlijke beschutting, maar nesten kunnen ook dicht bij paden liggen. De toegangsstatus meet geen daadwerkelijke bezoekersdruk of verstoring bij individuele nesten. De vogeltellingen in afgesloten terreinen worden uitgevoerd door tellers met toestemming.

Methodologie

De dichtheid is berekend over het volledige onderzochte plotoppervlak en niet uitsluitend over de oppervlakte struweel.

De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices. Iedere soort telt daarin ongeveer even zwaar. Daardoor maakt de index zichtbaar dat meerdere soorten afnemen, ook wanneer toenemende soorten een belangrijk deel van het verlies aan territoria compenseren.

Struiken en struwelen is een ecologische vogelgroep en geen Natura 2000-habitattype. Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid. Rond 1984 veranderde de telmethode door de invoering van BMP. Veranderingen rond deze jaren moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd.

Meer weten?