Pioniersvegetaties en ruigten: van meeuwenkolonie naar Boomleeuwerik
De groep Pioniersvegetaties en ruigten omvat 24 soorten van open zand, lage begroeiingen, kruidenrijke ruigten, oevers en andere dynamische terreinen. De groep is breed: naast grondbroeders zoals Tapuit, Graspieper en Kievit bevat zij holenbroeders, oevervogels en drie meeuwensoorten. De ontwikkeling kan daarom niet rechtstreeks worden vertaald naar de oppervlakte van één habitattype.
Ontwikkeling in Meijendel
In 2025 werden 307 territoria vastgesteld, ofwel 16,4 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 1.902 territoria en 101,6 territoria per km²: een afname van 84%.
De reeks wordt echter sterk bepaald door de voormalige meeuwenkolonie. In het topjaar 1985 telde de groep 7.836 territoria. Daarvan behoorden er 7.509, ofwel 96%, tot Zilvermeeuw, Kleine Mantelmeeuw en Stormmeeuw. In 1990 vormden deze drie soorten met 1.493 territoria nog altijd 78% van het groepstotaal. In 2025 resteerden slechts één territorium van de Kleine Mantelmeeuw en één van de Zilvermeeuw.
Zonder deze drie meeuwensoorten daalde het totaal tussen 1990 en 2025 veel minder sterk: van 409 naar 305 territoria, een afname van 25%. Na het dieptepunt van 158 territoria in 2012 herstelde het volledige groepstotaal tot 307 in 2025.
Sterke verschuiving tussen soorten
Het recente herstel komt vrijwel volledig voor rekening van enkele soorten. De Boomleeuwerik ontbrak in 1990, maar bereikte in 2025 197 territoria en vormde daarmee bijna twee derde van de groep. Ook de Graspieper nam toe, van 13 naar 59 territoria. Witte Kwikstaart groeide van 6 naar 14 territoria en Kievit van 5 naar 10.
Tegelijkertijd verdwenen of verminderden verschillende karakteristieke soorten. Tapuit nam af van 26 territoria in 1990 tot één in 2025. Bergeend, Scholekster en Wulp gingen van respectievelijk 14, 10 en 8 territoria naar nul. Fazant daalde van 150 naar nul en Kauw van 153 naar 4. De Kuifleeuwerik, in 1990 nog met één territorium aanwezig, verdween daarna uit Meijendel.
De huidige groep is daardoor aanzienlijk kleiner en anders samengesteld dan rond 1990. De sterke positie van de Boomleeuwerik laat zien dat bepaalde open, zandige en structuurrijke terreinen weer geschikt zijn geworden. Zij compenseert echter niet het verdwijnen van veel andere soorten.
Lokale en landelijke ontwikkeling
De Meijendelse groepsindex daalde van 100 in 1990 naar ongeveer 3 in 2025. Landelijk steeg dezelfde samengestelde index juist tot 118 in 2024. De ontwikkeling in Meijendel wijkt daarmee zeer sterk af van het landelijke groepsbeeld.
Niet iedere soort volgt dit negatieve patroon. De groei van de Boomleeuwerik sluit aan bij de landelijke toename en bij de uitbreiding van deze soort in de Nederlandse duinstreek. De Graspieper ontwikkelt zich in Meijendel recent eveneens gunstiger dan de landelijk ongeveer stabiele langetermijntrend.
Bij andere soorten komt de lokale achteruitgang wel overeen met de landelijke ontwikkeling. De Wulp verdween uit vrijwel alle duingebieden buiten de Wadden en neemt landelijk als broedvogel nog steeds af. De Kuifleeuwerik is inmiddels als Nederlandse broedvogel verdwenen. Ook de Tapuit is landelijk nog maar in enkele duingebieden als broedvogel aanwezig.
De meeuwenkolonie
Omdat Zilvermeeuw, Kleine Mantelmeeuw en Stormmeeuw tot deze groep behoren, is de geschiedenis van de meeuwenkolonie hier essentieel. De enorme aantallen in de jaren zeventig en tachtig mogen niet worden geïnterpreteerd als een even grote uitbreiding van pioniervegetaties.
De kolonie nam sterk af nadat de Vos zich in het duingebied vestigde. Veel meeuwen verhuisden naar veiligere broedplaatsen, waaronder eilanden, havengebieden en daken. De daling van het groepstotaal weerspiegelt daardoor zowel het verdwijnen van de kolonie als veranderingen bij de overige soorten van open terrein. Zie ook het verhaal over de meeuwenkolonie in Meijendel en het rapport Vijftig jaar vogeltellingen in Meijendel.
Habitat en toegankelijkheid
Deze vogelgroep gebruikt verschillende Natura 2000-habitats. Een indicatieve selectie bestaat uit H2110 Embryonale duinen, H2120 Witte duinen, H2130 Grijze duinen, de open vegetaties van H2190 Vochtige duinvalleien en H6430 Ruigten en zomen. In de habitatkartering van 2014 omvatten deze typen samen ongeveer 605 hectare binnen de vogelplots. Dit is geen exacte maat voor het leefgebied van de groep; soorten gebruiken ook zandpaden, oevers, begraasde terreinen en tijdelijk verstoorde plaatsen.
Van deze indicatieve oppervlakte lag volgens de toegangsstatus van 2024 ongeveer 29% in afgesloten plots en 31% in plots met beperkte toegang. Nog eens 16% lag in deels afgesloten of deels beperkt toegankelijke plots. Ongeveer 25% lag in volledig vrij toegankelijke plots.
Veel soorten broeden op of vlak boven de grond. Beperking van betreding kan daarom belangrijk zijn, maar de toegangsstatus zegt niets over de werkelijke bezoekersdruk, betreding buiten paden of verstoring op specifieke broedplaatsen. De vogelgegevens en toegankelijkheidsgegevens laten samenhangende patronen zien, maar bewijzen geen oorzakelijk verband.
Methodologie
De dichtheid is het totale aantal territoria gedeeld door het volledige onderzochte plotoppervlak, niet alleen door de oppervlakte pioniervegetatie of ruigte. De drie meeuwensoorten zijn in deze aantallen opgenomen.
De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices. Iedere soort telt daarin ongeveer even zwaar. De duizenden meeuwen uit de voormalige kolonie domineren daardoor wel de historische aantallen, maar niet in dezelfde mate de groepsindex. Omgekeerd wegen het verdwijnen en de sterke afname van verschillende minder talrijke soorten relatief zwaar in die index.
Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Rond 1984 werd de BMP-methode ingevoerd. Vooral de ontwikkeling vóór en rond deze jaren moet daarom voorzichtig worden geïnterpreteerd.