Vochtige duinvalleien omvatten open water, vochtige graslanden, lage moerasvegetaties en rietlanden. Binnen H2190 worden vier subtypen onderscheiden: open water, kalkrijke valleien, ontkalkte valleien en valleien met hoge moerasplanten. Vooral de open wateren en rietrijke delen zijn belangrijk voor broedvogels.
Tot deze vogelgroep rekenen we 22 soorten met een sterke binding aan water, oevers, riet en natte ruigten. Hieronder vallen watervogels zoals dodaars, fuut, kuifeend en tafeleend, maar ook riet- en moerasvogels zoals kleine karekiet, rietzanger, blauwborst, roerdomp, waterral en Cetti’s zanger. Deze soorten gebruiken niet allemaal hetzelfde onderdeel van H2190. Sommige broeden op open water, andere juist in rietkragen, zeggenvegetaties of nat struweel.
Ontwikkeling in Meijendel
In 2025 werden binnen de onderzochte kavels 630 territoria van deze vogelgroep vastgesteld. Gecorrigeerd voor de getelde oppervlakte komt dat overeen met 33,6 territoria per km².
De groep bereikte in 1994 een maximum van 1.026 territoria, of 54,8 territoria per km². Daarna volgde een sterke afname tot 462 territoria in 2008. Sindsdien trad gedeeltelijk herstel op: in 2024 werden 667 territoria geteld en in 2025 waren dat er 630. Ten opzichte van 1990 ligt de dichtheid ongeveer 24% lager, maar ten opzichte van het dieptepunt in 2008 ongeveer 36% hoger.
Achter het groepscijfer gaat een ingrijpende verandering in soortensamenstelling schuil. Tussen 1990 en 2025 daalde het aantal territoria van:
- kleine karekiet van 383 naar 136;
- kuifeend van 144 naar 56;
- tafeleend van 88 naar 38;
- fuut van 48 naar 15;
- rietgors van 49 naar 18;
- geoorde fuut van 13 naar 1.
Daartegenover staan soorten die zich uitbreidden of zich nieuw vestigden. In 2025 telden we 80 territoria van Cetti’s zanger, 51 van krooneend en 38 van blauwborst; deze soorten ontbraken nog in de telling van 1990. Ook sprinkhaanzanger, dodaars en rietzanger namen toe: respectievelijk van 42 naar 88, van 43 naar 64 en van 6 naar 27 territoria.
De gedeeltelijke opleving van de groep betekent dus niet dat de vroegere vogelgemeenschap is teruggekeerd. Een kleiner aantal vroeger dominante soorten is vervangen door soorten die landelijk eveneens zijn toegenomen of Nederland recent hebben gekoloniseerd.
Vergeleken met Nederland
Een deel van de ontwikkeling in Meijendel volgt het landelijke patroon. De sterke opkomst van Cetti’s zanger past bij de snelle kolonisatie van Nederland sinds 2005. De soort profiteert onder meer van zachte winters en broedt vooral in rietstruweel. Ook rietzanger en blauwborst hebben landelijk sterk terrein gewonnen. Sovon – Cetti’s zanger en Sovon – Rietzanger.
De afname van tafeleend en fuut in Meijendel komt eveneens overeen met een landelijke daling. Sovon – Tafeleend en Sovon – Fuut.
Er zijn echter ook duidelijke verschillen. Kleine karekiet nam in Meijendel veel sterker af dan landelijk, waar sinds 1990 geen duidelijke aantalsverandering zichtbaar is. De rietgors nam in Meijendel af, terwijl de Nederlandse broedpopulatie juist licht toenam. Sovon – Kleine karekiet en Sovon – Rietgors.
Habitat en waterhuishouding
De recente evaluatie voor het gehele Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide vermeldt op de nieuwste habitatkaart 48,8 hectare H2190. Daarvan bestaat 10,6 hectare uit open water, 25,3 hectare uit kalkrijke valleien, 0,2 hectare uit ontkalkte valleien en 12,7 hectare uit vegetaties met hoge moerasplanten.
Op de oudere kaart stond nog 62,0 hectare. Dit verschil mag niet zonder meer als werkelijk habitatverlies worden geïnterpreteerd. Vooral bij het subtype met hoge moerasplanten zijn bij de nieuwe, nauwkeuriger kartering delen uitgesloten die niet aan de habitatdefinitie bleken te voldoen.
De vegetatiekwaliteit wordt overwegend als goed beoordeeld. Bij het subtype met hoge moerasplanten voldoet ongeveer 70% van de vegetatie. De waterhuishouding vormt wel een aandachtspunt: de meeste onderzochte locaties van dit subtype zijn volgens het grondwatermodel te droog. Ook bij het open-watertype zijn onder meer delen van de Hertenkamp, Helmduinen en Prinsenduin te droog. De kalkrijke valleien voldoen hydrologisch grotendeels wel.
Dodaars geldt als typische vogelsoort van de subtypen open water en hoge moerasplanten; sprinkhaanzanger is typisch voor het laatstgenoemde subtype. De evaluatie vond beide soorten in het Natura 2000-gebied, maar niet binnen de precies gekarteerde habitatvlakken. Dat illustreert dat vogels ook rietkragen, oevers en natte vegetaties buiten de formele H2190-grenzen gebruiken. De vogelcijfers zijn daarom aanvullende informatie, maar geen rechtstreekse maat voor de kwaliteit van het habitattype.
Toegankelijkheid
De H2190-kaart overlapt in Meijendel met 31 vogeltelkavels. Daarvan zijn tien vrij toegankelijk, zeven beperkt toegankelijk, tien niet openbaar toegankelijk en vier deels vrij en deels beperkt toegankelijk. Ongeveer 21,8 van de 32,5 hectare overlap ligt in afgesloten telkavels.
Deze verdeling is indicatief: de habitatkaart dateert uit 2014 en de toegankelijkheidskaart uit 2024. Afgesloten gebieden worden wel door bevoegde tellers onderzocht. De gegevens zijn daardoor niet beperkt tot de voor bezoekers toegankelijke delen van Meijendel.
Methodische kanttekening
De grafiek combineert de territoria van de 22 soorten die in de Meijendel-database sterk aan deze vogelgroep zijn gekoppeld. Jaarlijks delen we het aantal territoria door de totale oppervlakte van de daadwerkelijk onderzochte kavels. Zo worden jaren met een verschillende teloppervlakte beter vergelijkbaar.
De territoria worden per volledige vogeltelkavel geteld en niet alleen binnen de gekarteerde H2190-vlakken. De uitkomst beschrijft daarom de ontwikkeling van de geselecteerde vogelgroep in het onderzochte deel van Meijendel. Het is geen rechtstreekse telling van vogels die uitsluitend binnen H2190 broeden.
De oudere jaren moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Rond 1973 werd het telgebied uitgebreid en vanaf 1984 veranderde de inventarisatiemethode. Vooral de afwijkende waarde van 1984 is daardoor niet als een plotselinge ecologische verandering te beschouwen.