Duinbossen zijn natuurlijke of halfnatuurlijke loofbossen in de kustduinen. Binnen H2180 worden droge duinbossen, vochtige duinbossen en bossen van de binnenduinrand onderscheiden. De vogelgroep omvat twintig soorten die sterk of geregeld met bos, bosranden en oudere bomen samenhangen. Het is geen lijst van soorten die uitsluitend in H2180 voorkomen.
Ontwikkeling in Meijendel
In 2025 zijn binnen deze groep 1.087 territoria vastgesteld. Dat komt overeen met 58,0 territoria per km² geïnventariseerd kaveloppervlak. In 1990 waren dat 1.165 territoria en 62,2 territoria per km². Het groepsaantal ligt daarmee ongeveer op het niveau van 1990.
Tussenliggende jaren laten echter een ander beeld zien. De groep bereikte in 2016 een maximum van 1.535 territoria, ofwel 82,0 per km². Daarna volgde een afname van 29% tot 2025. Van een nog steeds doorgaande groei van de bosvogelstand is dus geen sprake.
Ook de samenstelling veranderde sterk. Tussen 1990 en 2025 namen enkele soorten van bomen en ouder bos duidelijk toe:
- Grote Bonte Specht: van 38 naar 132 territoria;
- Boomkruiper: van 28 naar 101;
- Kleine Bonte Specht: van 2 naar 21.
Andere soorten gingen achteruit:
- Winterkoning: van 526 naar 303 territoria;
- Gekraagde Roodstaart: van 117 naar 81;
- Groene Specht: van 41 naar 17;
- Glanskop: van 37 naar 28;
- Matkop: van 15 naar 1.
De Roodborst nam toe van 250 naar 306 territoria. Het ongeveer gelijk gebleven groepstotaal verhult dus een verschuiving: spechten en boomkruipers werden belangrijker, terwijl verschillende soorten van jonger, opener of structuurrijk bos afnamen.
Vergelijking met Nederland
De lokale toename van Grote Bonte Specht, Boomkruiper en Kleine Bonte Specht past bij hun landelijke ontwikkeling. Sovon meldt voor alle drie sinds 1990 een significante toename. Het ouder worden van bossen en een natuurlijker bosbeheer worden daarbij als gunstige ontwikkelingen genoemd. Zie de soortpagina’s van Grote Bonte Specht, Boomkruiper en Kleine Bonte Specht.
De vrijwel volledige verdwijning van de Matkop uit de Meijendel-tellingen past eveneens bij de landelijke ontwikkeling. De landelijke broedvogelstand neemt sinds 1990 onafgebroken af. De soort heeft veel zacht, vermolmd hout nodig om zelf nestholen uit te hakken. Zie Matkop bij Sovon.
Bij andere soorten wijkt Meijendel juist af. Gekraagde Roodstaart en Groene Specht namen lokaal af, terwijl hun landelijke trends sinds 1990 positief zijn. De Groene Specht is bovendien karakteristiek voor de combinatie van oude bomen en open plekken waar hij op de grond naar mieren zoekt. Dit verschil wijst erop dat het groepstotaal alleen onvoldoende vertelt over de kwaliteit en structuur van de duinbossen.
Oppervlakte en kwaliteit van het habitat
De recente habitatkartering omvat 533,6 hectare H2180. Op de eerdere kaart was dat 556,6 hectare: een nettoafname van ongeveer 23 hectare. Achter dit bescheiden verschil gaan grote verschuivingen tussen de subtypen schuil:
- droge duinbossen namen af van 409,5 naar 287,3 hectare;
- vochtige duinbossen namen af van 26,8 naar 19,9 hectare;
- bossen van de binnenduinrand namen toe van 120,2 naar 226,4 hectare.
Deze cijfers mogen niet rechtstreeks als kap of nieuwe bosvorming worden uitgelegd. Een belangrijk deel van de verandering is ontstaan door nauwkeuriger kartering en door herindeling van bos tussen de drie subtypen.
Op basis van de aanwezige vegetatietypen is 100% van het droge duinbos, 90% van het vochtige duinbos en 79% van het binnenduinrandbos als goed beoordeeld. Voor vogels belangrijke structuurkenmerken zijn echter onvoldoende onderzocht. Er zijn geen gebiedsdekkende gegevens over soortenrijke bosranden, open plekken en de aanwezigheid van oude, dikke, levende of dode bomen. Juist zulke elementen bieden voedsel, nestholen en dekking aan veel soorten uit deze groep.
De Grote Bonte Specht geldt als typische soort van de duinbossen; voor de bossen van de binnenduinrand geldt dat ook voor de Houtsnip. De vogeltellingen kunnen daarom aanvullende aanwijzingen geven over de ontwikkeling van het bos, maar vormen op zichzelf geen formele beoordeling van de habitatkwaliteit. De officiële beschrijving van de drie subtypen staat in het Natura 2000-profiel van H2180.
Toegankelijkheid
Op de gebruikte habitatkaart komt H2180 geheel of gedeeltelijk voor in 53 vogelkavels:
- 20 kavels zijn vrij toegankelijk;
- 14 kavels zijn beperkt toegankelijk;
- 11 kavels zijn niet vrij toegankelijk;
- 8 kavels hebben een gemengde toegankelijkheid.
De toegankelijkheid is voor de hele kavel vastgelegd, terwijl het duinbos soms maar een deel van die kavel beslaat. De tellingen omvatten daardoor zowel druk bezochte bossen en bosranden als relatief rustige, afgesloten delen. Zonder analyse per soort en kavel kan hieruit geen rechtstreeks effect van recreatie worden afgeleid.
Methodische kanttekening
De grafiek toont het gezamenlijke aantal territoria van de twintig soorten, gedeeld door de totale oppervlakte die in dat jaar is geïnventariseerd. De territoria zijn niet uitsluitend binnen de grenzen van H2180 geselecteerd. Veel soorten gebruiken behalve duinbos ook struwelen, lanen, open plekken en andere boomrijke delen van Meijendel.
De reeks bevat bovendien veranderingen in teldekking en methode. Vooral de uitbreiding van het onderzoeksgebied rond 1973 en de overgang naar de BMP-systematiek rond 1984 kunnen zichtbare sprongen veroorzaken. Vergelijkingen vanaf 1990 zijn daarom het meest bruikbaar. De landelijke Sovon-cijfers zijn indices en geen aantallen; vergelijking met Meijendel betreft vooral de richting van de ontwikkeling. Lees meer over de vergelijkbaarheid van de tellingen.
Meer weten?
- Officieel Natura 2000-profiel H2180 – Duinbossen
- Ontwerpbeheerplan Meijendel & Berkheide 2026–2032
- Vegetatieontwikkeling in Berkheide, Meijendel en Solleveld na 1874 – Holland’s Duinen 85
- Landelijke vogeltrends bij Sovon
Via het Analysecentrum kunnen de onderliggende gegevens verder worden verkend, bijvoorbeeld per soort, telgebied of periode.