Duindoornstruwelen ontstaan op kalkrijk duinzand en worden meestal gedomineerd door Duindoorn, vaak samen met Vlier, Wilde liguster en meidoorn. Naarmate struwelen ouder en hoger worden, kan Duindoorn door andere struiken en bomen worden verdrongen.
De vogelgroep omvat zestien soorten die veel in duinstruweel voorkomen. De koppeling is niet exclusief: vooral Tjiftjaf, Zwartkop, Merel en Zanglijster benutten ook ouder struweel en bos.
Ontwikkeling van de vogelgroep
In 2025 werden 3.829 territoria van deze soorten vastgesteld. Dat is 204,5 territoria per km² geteld gebied. In 1990 waren dat 3.982 territoria, of 212,6 per km². De hoogste waarde sinds de invoering van de huidige telmethode werd in 2001 bereikt: 4.429 territoria en 236,5 per km². De groep als geheel laat sinds 1990 dus vooral schommelingen op een hoog niveau zien, geen eenvoudige doorgaande afname.
Onder die totaallijn is de samenstelling echter sterk veranderd. Tussen 1990 en 2025 namen onder meer af:
- Fitis: van 1.379 naar 633 territoria;
- Heggenmus: van 508 naar 293;
- Nachtegaal: van 452 naar 270.
Andere soorten namen juist sterk toe:
- Tjiftjaf: van 174 naar 766 territoria;
- Zwartkop: van 119 naar 384;
- Tuinfluiter: van 46 naar 214.
In 2025 waren Tjiftjaf, Fitis en Grasmus de talrijkste soorten van de groep. De verschuiving van Fitis en Heggenmus naar onder andere Tjiftjaf en Zwartkop past bij het ouder, hoger en plaatselijk meer bosachtig worden van struwelen. De tellingen bewijzen echter niet dat vegetatieontwikkeling de enige oorzaak is. Ook omstandigheden tijdens trek en overwintering, broedsucces en veranderingen elders in het leefgebied kunnen meespelen.
Vergelijking met Nederland
De afname van de Fitis en Heggenmus en de toename van Tjiftjaf en Zwartkop in Meijendel komen overeen met hun landelijke ontwikkeling. Bij de Nachtegaal wijkt Meijendel af: landelijk neemt de broedpopulatie sinds 1990 toe, terwijl het aantal territoria in Meijendel tussen 1990 en 2025 met ongeveer 40% afnam.
Dat verschil laat zien dat de oppervlakte struweel alleen niet voldoende is om de lokale ontwikkeling te verklaren. Voor Nachtegalen lijken vooral afwisselende struweelranden, een toegankelijke lage of open kruidenlaag en voedselrijke plekken nabij water van belang. Te dicht struweel of een hoge, gesloten gras- en kruidenlaag kan het foerageren op de grond bemoeilijken. Het lokale onderzoek is verkennend; een rechtstreeks effect van beheer is nog niet aangetoond.
Habitatkwaliteit en beheer
De recente evaluatie van het Natura 2000-beheerplan brengt voor heel Meijendel & Berkheide 469,5 hectare H2160 in kaart. Dat is ruim 104 hectare minder dan op de vorige habitatkaart. De afname heeft verschillende oorzaken: natuurlijke veroudering en het plaatselijk uiteenvallen van ongeveer gelijktijdig ontstane duindoornstruwelen, natuurherstel en verwijdering ten gunste van grijze duinen, maar ook verschillen tussen de gebruikte karteringen.
Van het huidige oppervlak is 66% op grond van de vegetatie als goed beoordeeld. Een volledige beoordeling van structuur en functioneren was niet mogelijk. Voor een soortenrijk struweel zijn zowel oudere struiken als verjonging en plaatselijke toevoer van kalkrijk zand nodig. In delen van de middenduinen van Meijendel is de bodem mogelijk te zuur.
Voor H2160 zijn Egelantier en Nachtegaal de twee landelijk aangewezen typische soorten. De Nachtegaal komt in de meeste deelgebieden voor, maar zijn lokale afname maakt duidelijk dat aanwezigheid van struweel nog niet automatisch betekent dat ook de voor deze vogel benodigde vegetatiestructuur aanwezig is.
Toegankelijkheid van de telgebieden
Op de habitatkaart uit 2014 liggen delen van H2160 in 55 vogeltelplots. Van deze plots zijn er momenteel 20 vrij toegankelijk, 14 beperkt toegankelijk en 12 gesloten. Negen plots hebben een gemengde toegankelijkheid.
Deze indeling geldt voor het gehele telplot; het duindoornstruweel kan slechts een gedeelte daarvan beslaan. De aantallen zijn daarom een beschrijving van de bereikbaarheid van de tellingen, niet van de exacte publiek toegankelijke oppervlakte H2160.
Hoe zijn de cijfers berekend?
De grafiek telt jaarlijks alle territoria van de zestien soorten in de vogelgroep bij elkaar op. Dit aantal wordt gedeeld door de totale oppervlakte die in dat jaar is onderzocht. Het gaat dus niet uitsluitend om territoria waarvan de nestplaats precies binnen een H2160-vlak ligt.
De reeks kent twee belangrijke overgangen. In 1973 werd het onderzochte gebied sterk uitgebreid. Vanaf 1984 wordt de huidige BMP-georiënteerde werkwijze gebruikt. Vergelijkingen over deze grenzen moeten daarom voorzichtig worden geïnterpreteerd.
De landelijke vergelijking gebruikt de afzonderlijke soortindices van Sovon. Habitatkaarten, vogelgegevens en toegankelijkheidsinformatie hebben verschillende peiljaren en zijn niet geschikt om zonder aanvullend onderzoek oorzakelijke verbanden vast te stellen.
Meer weten?
Meer achtergrond is te vinden bij Natura 2000 over H2160 en het officiële habitatprofiel, in het ontwerpbeheerplan Meijendel & Berkheide 2026–2032, in Een verkenning van relaties tussen Nachtegalen en beheer in Meijendel en in Op zoek naar knelpunten voor Fitissen in Meijendel. Via het Analysecentrum kunnen de onderliggende Meijendelgegevens verder worden verkend.