Open water: minder klassieke watervogels, een andere samenstelling
De ecologische vogelgroep Open water bestaat uit 21 broedvogelsoorten die voor broeden of voedsel sterk afhankelijk zijn van plassen, infiltratiebekkens en hun oevers. De groep omvat onder meer eenden, futen, Meerkoet, Waterhoen, IJsvogel, Oeverzwaluw, Visdief en Kokmeeuw.
Het open water van Meijendel is voor een belangrijk deel ontstaan door de drinkwaterwinning. In 1956 werd de eerste infiltratieplas in gebruik genomen. Daarmee ontstond een nieuw waterrijk landschap binnen een voorheen veel droger duingebied. De plassen worden sindsdien beïnvloed door waterbeheer, veranderingen in waterkwaliteit en de ontwikkeling van oever- en onderwatervegetatie. Meer achtergrond staat in de beheernota van Dunea.
Sinds 1990 afgenomen
In 2025 werden 590 territoria van de soorten uit deze vogelgroep vastgesteld. Dat komt overeen met 31,5 territoria per vierkante kilometer onderzocht gebied. In 1990 waren het 777 territoria, ofwel 41,5 per vierkante kilometer. Het ruwe groepstotaal daalde daarmee met 24%.
Het hoogste totaal na 1990 werd in 1994 bereikt, met 972 territoria. Daarna volgde een langdurige daling tot 490 territoria in 2005. Na een tijdelijk herstel tot 760 territoria in 2020 nam het totaal opnieuw af.
Ook de gestandaardiseerde groepslijn laat een achteruitgang zien. Met 1990 als index 100 staat de Meijendellijn in 2025 rond 77. De landelijke groepslijn staat in 2024 juist rond 252. De gemiddelde ontwikkeling van deze soorten is landelijk dus veel gunstiger dan in Meijendel.
Verlies en nieuwkomers
De samenstelling van de groep is sterk veranderd. Tussen 1990 en 2025 daalden verschillende vroeger talrijke soorten:
- Meerkoet: van 225 naar 142 territoria;
- Kuifeend: van 144 naar 56;
- Tafeleend: van 88 naar 38;
- Waterhoen: van 58 naar 16;
- Fuut: van 48 naar 15.
Slobeend en Zomertaling ontbraken in 2025 geheel als broedvogel. Van Geoorde Fuut en Wintertaling resteerde ieder één territorium.
Daartegenover staan soorten die rond 1990 nog ontbraken of veel schaarser waren. In 2025 werden 80 territoria van Grauwe Gans en 51 van Krooneend geteld. De Dodaars nam toe van 43 naar 64 territoria.
De vogelgroep is dus niet alleen kleiner geworden, maar ook anders samengesteld. De groei van Grauwe Gans, Krooneend en Dodaars compenseert slechts gedeeltelijk het verlies bij Meerkoet, Kuifeend, Tafeleend, Waterhoen en Fuut.
Vergeleken met Nederland
Een deel van de lokale ontwikkeling volgt het landelijke beeld. De Tafeleend, Wilde Eend en het Waterhoen namen ook landelijk op langere termijn af. De groei van Dodaars, Grauwe Gans en Krooneend past eveneens bij de landelijke ontwikkeling.
Toch blijft het verschil op groepsniveau groot. De landelijke sterke groei van verschillende watervogels heeft in Meijendel niet voorkomen dat het totaal en de gezamenlijke groepsindicator sinds 1990 zijn afgenomen. Vooral de lokale achteruitgang van vroeger talrijke soorten weegt zwaar.
De Kokmeeuwkolonie bepaalt de historische piek
De uitzonderlijk hoge aantallen aan het begin van de jaren tachtig kwamen voor een groot deel door de Kokmeeuwkolonie. In 1983 bestond het totaal van 2.624 territoria voor 1.780 uit Kokmeeuwen: ongeveer 68%. In 1984 waren 1.264 van de 1.643 territoria Kokmeeuwen.
In 1985 werd geen broedterritorium van Kokmeeuw meer geregistreerd. De scherpe daling tussen 1984 en 1985 weerspiegelt daarom vooral het verdwijnen van de kolonie en niet een plotselinge verandering van alle openwaterbroedvogels. Lees meer in het verhaal over de meeuwenkolonies (lees meer) van Meijendel.
Open water en beschermd habitat
De meest recente beschikbare landgebruiklaag omvat ongeveer 98,7 hectare open water binnen 23 vogelkavels. Niet al dit water behoort tot een beschermd habitattype. Een deel is gekarteerd als H3140 Kranswierwateren; daarnaast zijn er infiltratieplassen, kanalen en wateren die bij vochtige duinvalleien of andere vegetatietypen horen.
Voor geheel Meijendel en Berkheide vermeldt de beheerplanevaluatie 40,89 hectare H3140. Dat is ruim 23 hectare meer dan op de oude kaart. Een deel van dit verschil kan echter zijn veroorzaakt doordat bij de nieuwe kartering gerichter naar kranswieren is gezocht. Het is daarom niet verantwoord de volledige gekarteerde toename als een werkelijke ecologische uitbreiding te beschrijven.
De vegetatiekundige kwaliteit van het gekarteerde H3140 wordt als goed beoordeeld. Vooral voor de Krooneend zijn kranswieren belangrijk voedsel. De terugkeer van deze soort past bij de ontwikkeling van kranswierrijke plassen, maar bewijst op zichzelf niet dat alle open water ecologisch is verbeterd. Zie ook H3140 – Kranswierwateren.
Toegang en tellingen
Een koppeling van de landgebruiklaag uit 2022 aan de toegangsstatus van de vogelkavels in 2024 geeft het volgende beeld:
- 33,0 hectare ligt in afgesloten kavels;
- 15,3 hectare in beperkt toegankelijke kavels;
- 27,4 hectare in kavels die deels beperkt en deels vrij toegankelijk zijn;
- 23,1 hectare in volledig vrij toegankelijke kavels.
Ruim driekwart van het gekarteerde open water ligt dus in een kavel die niet volledig vrij toegankelijk is. Bevoegde vogeltellers kunnen deze gebieden volgens de geldende afspraken inventariseren. De toegangsindeling geldt voor het kavel als geheel; binnen gedeeltelijk toegankelijke kavels kan de situatie per oever verschillen.
Methodologie
De dichtheid is het aantal territoria van de 21 getoonde soorten, gedeeld door de totale oppervlakte van de in dat jaar onderzochte vogelkavels. Het is dus geen aantal territoria per vierkante kilometer water.
De landelijke vergelijking gebruikt een index met 1990 als basisjaar. Deze groepsindex is opgebouwd uit de ontwikkeling van afzonderlijke soorten en is geen telling van het totale aantal vogels.
Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid. In 1984 werd de BMP-methode ingevoerd. Daarnaast domineert de Kokmeeuwkolonie de cijfers van 1978 tot en met 1984. Voor de ontwikkeling van de huidige openwatergemeenschap is de periode vanaf 1990 daarom het meest bruikbaar.