Terug naar vogelgroepen

Grazige vegetaties

Deze groepspagina hoort bij Ecologische vogelgroepen.

De ecologische vogelgroep Grazige vegetaties bestaat uit zeventien soorten. In de landelijke indeling heet deze groep Weidevogels. In Meijendel gaat het echter om een brede combinatie van vogels van open duin, lage gras- en kruidenvegetaties, vochtige duinvalleien, oevers en duinplassen. Naast Graspieper, Kievit en Veldleeuwerik behoren daardoor ook verschillende eenden en de Visdief tot de groep.

De grafiek is dus geen zuivere graadmeter voor één vegetatietype. Hij beschrijft de gezamenlijke ontwikkeling van soorten die voor broeden of voedsel zoeken afhankelijk zijn van open, laag begroeid of nat terrein.

Ontwikkeling in Meijendel

In 2025 werden 176 territoria vastgesteld, ofwel 9,4 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 167 territoria en 8,9 territoria per km². Het totale aantal nam sinds 1990 dus met 5% toe.

Over een langere periode is sprake van een sterke afname. In het piekjaar 1976 werden 445 territoria geteld. In 2025 waren dat er 60% minder. Het laagste totaal werd in 2014 bereikt, met 143 territoria. Daarna trad enig herstel op.

De daling van 338 territoria in 1983 naar 165 in 1984 valt samen met de invoering van de BMP-methode. Dit verschil kan daarom niet volledig als ecologische verandering worden geïnterpreteerd.

Drie soorten bepalen het huidige totaal

In 2025 werden negen van de zeventien groepssoorten vastgesteld. Wilde Eend met 67 territoria, Graspieper met 59 en Krakeend met 33 waren samen goed voor 90% van het totaal. Daarnaast waren er 10 Kieviten, 3 Veldleeuweriken en telkens één territorium van Gele Kwikstaart, Tureluur, Watersnip en Wintertaling.

De samenstelling was vroeger veel gelijkmatiger. In 1976 telde Meijendel onder andere 100 Wilde Eenden, 74 Krakeenden, 70 Veldleeuweriken, 49 Graspiepers, 38 Wulpen, 35 Slobeenden, 33 Kieviten en 27 Scholeksters.

Scholekster, Slobeend, Wulp en Zomertaling, in 1990 nog als broedvogel aanwezig, ontbraken in 2025. Het vrijwel gelijkblijvende totale aantal sinds 1990 verhult daardoor dat verschillende karakteristieke soorten zijn verdwenen of zeer schaars zijn geworden.

Lokale en landelijke ontwikkeling

De groepsindex voor Meijendel daalde van 100 in 1990 naar ongeveer 27 in 2025. De landelijke index daalde eveneens, maar minder sterk: naar ongeveer 63 in 2024. De gemiddelde ontwikkeling van de afzonderlijke soorten is in Meijendel dus ongunstiger dan landelijk.

Dat het totale aantal territoria sinds 1990 licht steeg terwijl de groepsindex sterk daalde, komt door de berekeningswijze. In de groepsindex telt iedere soort ongeveer even zwaar. De sterke toename van de Graspieper kan daarin het verdwijnen of afnemen van meerdere andere soorten niet compenseren.

De Graspieper nam in Meijendel toe van 13 territoria in 1990 naar 59 in 2025. Landelijk is sinds 1990 geen duidelijke aantalsverandering vastgesteld en is recent sprake van een lichte toename. De Wilde Eend daalde lokaal van 76 naar 67 territoria; ook landelijk neemt deze soort als broedvogel af.

De Krakeend groeide landelijk sterk, terwijl Meijendel na een lokaal maximum van 73 territoria in 2009 terugviel naar 33 in 2025. De Kievit telde in 2025 weliswaar tweemaal zoveel territoria als in 1990, maar bleef met 10 territoria ver onder de 33 uit 1976. Landelijk neemt de Kievit sinds 1990 af.

Habitat en toegankelijkheid

Als praktische habitatbenadering zijn de grijze duinen en de laag begroeide delen van de vochtige duinvalleien gebruikt: H2130A, H2130B, H2190B en H2190C. De habitatkartering uit 2014 bevat hiervan binnen de vogelplots samen ongeveer 566 hectare.

Deze oppervlakte is geen exacte afbakening van het leefgebied. Eenden gebruiken ook open water en oevervegetaties, terwijl soorten als Graspieper, Kievit en Veldleeuwerik eveneens in andere open terreinen kunnen broeden.

Van deze 566 hectare lag volgens de toegangsstatus van 2024 ongeveer 28% in afgesloten plots en 33% in plots met beperkte toegang. Ongeveer 14% lag in deels afgesloten of deels beperkt toegankelijke plots en 25% in volledig vrij toegankelijke plots.

Veel soorten broeden op de grond of dicht langs oevers. Rust kan daarom belangrijk zijn, maar de toegangsstatus meet geen daadwerkelijke bezoekersdruk, betreding buiten de paden of verstoring bij individuele nesten. De vogeltellingen in afgesloten terreinen worden uitgevoerd door tellers met toestemming.

Methodologie

De dichtheid is berekend over het volledige onderzochte plotoppervlak en niet uitsluitend over grazige vegetaties of vochtige duinvalleien.

De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices. Iedere soort telt daarin ongeveer even zwaar. De index beschrijft daardoor de gemiddelde ontwikkeling van de soorten beter dan het totale aantal territoria, dat momenteel vooral door Wilde Eend, Graspieper en Krakeend wordt bepaald.

Grazige vegetaties is een ecologische vogelgroep en geen Natura 2000-habitattype. Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid. Rond 1984 veranderde de telmethode door de invoering van BMP. Veranderingen rond deze jaren moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd.

Meer weten?