Er zijn maar weinig kavels in Meijendel die vanaf 1958 onafgebroken zijn geïnventariseerd in het broedseizoen. Kavel 16 is er een van. Het grenst aan de westkant, over de zeereep, aan het strand. Aan de oostkant ligt in het kavel een plas oppervlaktewater.
Kavel 16 heeft grotendeels een open karakter.
De Fitis komt de paar laatste jaren in het voorjaar het meest voor, onmiddellijk gevolgd door de Grasmus. Dan sluiten de Heggenmussen en de Nachtegalen aan. De Meerkoet en de Kleine karekiet zijn ten opzichte van enkele jaren geleden een achteruitgegaan, maar nog wel aanwezig. Bij de Merel en de Tjiftjaf ligt dit precies andersom: de laatste jaren bezetten zij een of enkele territoria meer dan daarvóór. Vrij stabiel zijn al geruime tijd o.a. de Graspieper, de Braamsluiper en de Roodborsttapuit.
In dit kavel is in de tachtiger jaren een deel van de meeuwenkolonie gevestigd geweest (Zilvermeeuw, Kleine mantelmeeuw en Stormmeeuw). Deze kolonie was in 1992 helemaal weg. Andere verdwenen soorten zijn bijv. Scholekster, Wulp, Veldleeuwerik, Boompieper, Paapje en Tapuit. Ook de Houtduif is hier bijna geheel verdwenen.
In de herfst en winter is het tamelijk rustig in het kavel. Soms worden er de Waterral en de Watersnip waargenomen.