Twee verschillende berekeningen: vergelijk de binaire analyse met de gewogen gevoeligheidsanalyse.
Binaire analyse
Iedere geselecteerde soort telt volledig mee in de groepsdichtheid.
Gewogen gevoeligheidsanalyse
Primair groepslidmaatschap telt voor 1,0 en secundair lidmaatschap voor 0,5 mee.
Luchtfoerageerders vangen vliegende insecten in de vrije lucht of tijdens korte uitvallen vanaf een zitplaats. De groep is ecologisch breed: Boeren- en Oeverzwaluw jagen langdurig in de lucht, Grauwe Vliegenvanger vanaf uitkijkposten en Boomvalk onder meer boven open water en duinvalleien. Goudhaan en Fluiter gebruiken deze foerageerwijze slechts als onderdeel van een breder voedselzoekgedrag.
Ontwikkeling in Meijendel
In de binaire berekening steeg de dichtheid van 1,23 territoria per km² in 1990 naar 2,62 in 2025. Het aantal territoria nam toe van 23 naar 49. De ontwikkeling verliep echter zeer onregelmatig. In 2004 werden slechts 9 territoria geteld en in 2010 8. Daarna volgde een sterke opleving tot 61 territoria in zowel 2016 als 2019. Na een terugval tot 40 in 2024 kwam de groep in 2025 weer op 49.
De gewogen berekening laat hetzelfde globale patroon zien. De dichtheid steeg van 1,07 gewogen territoria per km² in 1990 naar 2,11 in 2025. Het dieptepunt lag in 2010 op 0,27; de hoogste waarde was 2,80 in 2019. Dat beide berekeningen een vergelijkbaar verloop tonen, wijst op een werkelijke opleving, maar de grote jaarlijkse schommelingen blijven belangrijk.
Welke soorten bepalen het beeld?
De hoge waarden in 2016 en 2019 werden vooral veroorzaakt door Boerenzwaluw, Goudhaan, Grauwe Vliegenvanger en tijdelijk ook Oeverzwaluw. In 2019 werden 24 Boerenzwaluwterritoria geteld, tegenover 10 in 2025. De Oeverzwaluw daalde van 11 territoria in 2016 naar één in 2025. Zulke kolonievogels kunnen zich snel vestigen en weer verdwijnen wanneer een nestwand ongeschikt raakt.
In 2025 waren Grauwe Vliegenvanger met 14 territoria, Boerenzwaluw met 10 en Goudhaan met 9 de talrijkste soorten. Sinds 1990 nam de Grauwe Vliegenvanger toe van 3 naar 14 territoria. De Bonte Vliegenvanger daalde juist van 6 naar 1 en de Boomvalk van 4 naar 1. De hogere groepsdichtheid betekent dus niet dat alle luchtfoerageerders vooruitgaan.
Habitat en toegankelijkheid
Vliegende insecten worden geproduceerd in uiteenlopende habitats, waaronder open water, vochtige duinvalleien, struweelranden, graslanden en bossen. Daarnaast moeten geschikte nestplaatsen of uitkijkposten aanwezig zijn. De voedselgebieden en broedplaatsen kunnen bovendien ver uit elkaar liggen. Een Boerenzwaluw kan boven water foerageren maar in een gebouw broeden; een Oeverzwaluw is afhankelijk van een geschikte steilwand.
De cijfers van 2024 laten geen eenduidig verband met toegankelijkheid zien. De binaire dichtheid was vrijwel gelijk in afgesloten en vrij toegankelijke telgebieden: respectievelijk 2,87 en 2,73 territoria per km². In de gewogen berekening was de dichtheid juist hoger in vrij toegankelijke gebieden: 2,35 tegenover 1,43. Door de kleine aantallen en grote verschillen in habitat en soortensamenstelling kan hieruit geen effect van recreatie of afsluiting worden afgeleid.
Vergelijking met Nederland
Voor deze lokaal gedefinieerde functionele groep bestaat geen rechtstreeks vergelijkbare landelijke groepsreeks. De belangrijkste soorten laten landelijk bovendien verschillende ontwikkelingen zien.
De Boerenzwaluw neemt landelijk sinds 1990 toe, maar is de laatste twaalf jaar stabiel. In Meijendel nam de soort per saldo toe van 4 naar 10 territoria, met een tijdelijke piek van 24 in 2019. De Grauwe Vliegenvanger nam landelijk over de lange termijn af, maar laat recent herstel zien; in Meijendel steeg hij van 3 naar 14 territoria. De Bonte Vliegenvanger neemt landelijk toe, terwijl hij in Meijendel van 6 naar 1 daalde. De afname van de Boomvalk van 4 naar 1 past wel bij zijn landelijke achteruitgang. Zie de landelijke gegevens van Boerenzwaluw, Grauwe Vliegenvanger, Bonte Vliegenvanger en Boomvalk.
Waarom exploratief?
De dichtheidsgrafieken omvatten veertien geselecteerde soorten. Slechts zeven daarvan voldoen aan de strengere eisen voor een robuuste, langdurige soorttrend. Daardoor kunnen één kolonie, een nieuwe vestiging of enkele territoria het groepsbeeld sterk veranderen.
In de binaire berekening telt iedere geselecteerde soort volledig mee. In de gewogen berekening tellen primaire luchtfoerageerders voor 1,0 en soorten die ook andere foerageerwijzen gebruiken voor 0,5. Vooral het lagere gewicht van Goudhaan, Fluiter en enkele roofvogels verklaart het verschil tussen de grafieken.
De groep is daarom geschikt om opvallende ontwikkelingen te signaleren, maar niet als zelfstandige maat voor de hoeveelheid vliegende insecten. Weer, nestgelegenheid, habitatverandering, trek en omstandigheden in de overwinteringsgebieden kunnen het verloop eveneens sterk beïnvloeden.
Methodische kanttekening
Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. In 1984 werd de landelijke BMP-methode ingevoerd. Vergelijkingen rond deze jaren vragen daarom extra voorzichtigheid. Lees meer over de vergelijkbaarheid van de tellingen.
Bij deze kleine groep verdienen de aantallen per soort altijd voorrang boven een algemene verklaring van de groepsgrafiek. De meeuwenkolonie speelt hierbij geen rol: er zitten geen meeuwensoorten in deze groep.
Meer weten?
Via de soortlinks bovenaan de pagina kan worden nagegaan welke soorten een piek of terugval veroorzaken. Het Dashboard biedt verdere uitsplitsing naar soort, jaar en telgebied. Voor bredere achtergrond over uiteenlopende reacties van insectenetende vogels op voedsel, habitat en stikstof is het openbare OBN/Sovon-rapport over insectivore vogels beschikbaar.