Terug naar vogelgroepen

H2130 – Grijze duinen

Deze groepspagina hoort bij Habitat groepen (Natura 2000).

Grijze duinen zijn droge, soortenrijke duingraslanden met lage grassen, kruiden, mossen en korstmossen. Ze ontstaan waar het stuivende witte duin geleidelijk wordt vastgelegd. Lichte overstuiving, open zand, hellingen en begrazing door konijnen houden het landschap gevarieerd. Meijendel kent zowel kalkrijke grijze duinen (H2130A) als oudere, kalkarmere grijze duinen (H2130B). H2130 is een prioritair Europees habitattype. Natura 2000 – Grijze duinen

Vogels van grijze duinen

Deze vogelgroep omvat dertien soorten van open of halfopen duin: Boomleeuwerik, Boompieper, Geelgors, Grasmus, Graspieper, Kwartel, Nachtzwaluw, Paapje, Patrijs, Roodborsttapuit, Tapuit, Veldleeuwerik en Wulp.

Graspieper, Tapuit en Veldleeuwerik zijn sterk gebonden aan korte vegetaties en open zand. Boomleeuwerik, Boompieper, Grasmus en Roodborsttapuit profiteren ook van een mozaïek met ruigte en lage struiken. De groepsgrafiek is daarom geen officiële beoordeling van H2130, maar laat zien hoe de gezamenlijke vogelstand van open en halfopen droog duin zich ontwikkelt.

Ontwikkeling in Meijendel

De totale dichtheid bereikte in 2025 met 1.074 territoria, of 57,4 territoria per km² onderzocht gebied, het hoogste niveau van de meetreeks. In 2004 waren dit 874 territoria en in 2010 636.

Die recordstand betekent echter niet dat de historische vogelgemeenschap van het open grijze duin is hersteld. In 2025 bestond ruim driekwart van de groep uit vier soorten die ook lage struiken en halfopen duin gebruiken: Grasmus (529 territoria), Boomleeuwerik (197), Boompieper (148) en Roodborsttapuit (134).

Tegelijkertijd zijn verschillende vroegere open-duinvogels vrijwel verdwenen. In 2025 resteerden één territorium van de Tapuit en drie van de Veldleeuwerik. Paapje, Patrijs, Geelgors en Wulp werden niet meer vastgesteld; hun laatste territoria dateren respectievelijk uit 2000, 1992, 2005 en 2011. Ter vergelijking: in 1976 werden nog 103 Tapuiten, 70 Veldleeuweriken, 49 Graspiepers en 38 Wulpen geteld. Door verschillen in telmethode is dit geen exacte trendvergelijking, maar de verschuiving in soortensamenstelling is onmiskenbaar.

De hoge huidige groepsstand weerspiegelt dus vooral de groei van soorten van halfopen duin. Voor de kwaliteit van het meest open grijze duin geven de schaarse Tapuit, Veldleeuwerik en Graspieper een minder gunstig signaal.

Vergelijking met Nederland

Een deel van de ontwikkeling in Meijendel past bij de landelijke trends. Met 1990 als index 100 stonden Boomleeuwerik, Boompieper en Roodborsttapuit landelijk in 2024 op respectievelijk 220, 180 en 792. Hun groei in Meijendel is dus niet uitsluitend een lokaal verschijnsel. Boomleeuwerik, Boompieper en Roodborsttapuit nemen ook landelijk toe.

De afname van de karakteristieke open-duinvogels past eveneens in het landelijke beeld. De index voor Paapje stond in 2024 op 35, voor Patrijs op 11, voor Tapuit op 16, voor Veldleeuwerik op 49 en voor Wulp op 30. Paapje, Patrijs en Tapuit behoren landelijk tot de sterk afgenomen broedvogels.

Habitatkwaliteit en beheer

Volgens de evaluatie uit 2025 omvat Meijendel & Berkheide ongeveer 756 hectare kalkrijke en 184 hectare kalkarme grijze duinen. Deze oppervlakten mogen niet rechtstreeks met oudere kaarten worden vergeleken: een belangrijk deel van de verschillen komt door een andere kaartschaal en indeling van vegetaties.

Van het kalkrijke subtype heeft ongeveer 98% van de gekarteerde vegetatie een goede vegetatiekundige kwaliteit. De structuur en het functioneren zijn als matig beoordeeld. Vooral de begrazing door konijnen is nog onvoldoende hersteld.

Bij het kalkarme subtype heeft ongeveer 71% een goede vegetatiekundige kwaliteit. Het beeld voor de kenmerkende planten- en diersoorten is veel ongunstiger: in het hele Natura 2000-gebied werden slechts 6 van de 21 relevante soorten aangetroffen. Ook hier is de invloed van konijnen te gering.

Begrazing met grote grazers kan openheid herstellen, maar het effect hangt af van graasdruk, diersoort en plaats. Voor vogels is een gevarieerd mozaïek nodig: kort gras en open zand voor Tapuit en Veldleeuwerik, naast ruigere delen en lage struiken voor bijvoorbeeld Boomleeuwerik en Roodborsttapuit. Meer begrazing is daarom niet automatisch beter. Natuurkennis – Open duin

Toegankelijkheid

H2130 komt volgens de beschikbare habitatkaart voor in 55 onderzochte vogelkavels. Daarvan zijn 20 kavels vrij toegankelijk, 14 beperkt toegankelijk, 12 afgesloten en 9 deels toegankelijk of deels afgesloten.

Deze indeling geldt voor de hele vogelkavel en niet uitsluitend voor het gedeelte met grijze duinen. De cijfers geven daarom vooral aan onder welke omstandigheden de vogels worden gevolgd. Ze meten niet rechtstreeks hoeveel recreatiedruk binnen H2130 optreedt.

Hoe zijn de cijfers berekend?

Per jaar worden de territoria van alle dertien groepssoorten opgeteld en gedeeld door de totale oppervlakte van de in dat jaar onderzochte kavels. De grafiek toont dus territoria per km² onderzocht Meijendel en niet uitsluitend territoria binnen gekarteerd H2130.

Bij de interpretatie zijn twee veranderingen belangrijk. Vanaf 1973 werd een groter gebied onderzocht. Vanaf 1984 werd overgegaan op de BMP-methode. Vooral vergelijkingen over deze grenzen heen moeten daarom voorzichtig worden gelezen.

De gegevens laten zien dat vogelstand en landschap gelijktijdig veranderden. Ze bewijzen niet dat één afzonderlijke beheermaatregel de waargenomen toe- of afname heeft veroorzaakt.

Meer weten?