Rietvegetaties: een sterk veranderde vogelgemeenschap
De groep Rietvegetaties omvat twaalf soorten van rietvelden, natte ruigten, moerasvegetaties en begroeide oevers. Niet iedere soort stelt dezelfde eisen. Grote Karekiet en Roerdomp zijn sterk afhankelijk van waterriet en rustige moerasoevers, terwijl Blauwborst en Sprinkhaanzanger ook in ruigere en drogere vegetaties broeden.
Ontwikkeling in Meijendel
In 2025 werden 341 territoria vastgesteld, ofwel 18,2 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 545 territoria en 29,1 territoria per km². Het totale aantal territoria daalde daarmee met 37%. Na een maximum van 714 territoria in 1996 volgde een langdurige afname. Sinds het dieptepunt van 254 territoria in 2013 trad enig herstel op: tot 2025 nam het totaal met 34% toe.
Achter deze totalen gaat een sterke verschuiving tussen soorten schuil. De Kleine Karekiet bleef de talrijkste soort, maar nam af van 383 territoria in 1990 tot 136 in 2025. Ook Waterhoen (58 naar 16) en Rietgors (49 naar 18) gingen sterk achteruit. De Grote Karekiet, met nog twee territoria in 1990, ontbreekt inmiddels als broedvogel.
Andere soorten namen juist toe. De Sprinkhaanzanger groeide van 42 naar 88 territoria en de Rietzanger van 6 naar 27. Blauwborst en Roerdomp waren in 1990 nog niet als territoriumsoort vastgesteld, maar bereikten in 2025 respectievelijk 38 en 8 territoria. Ook de Waterral nam toe, van 5 naar 9 territoria.
Lokale en landelijke ontwikkeling
De groepsindex voor Meijendel steeg van 100 in 1990 naar 195 in 2024 en 199 in 2025. De landelijke groepsindex bereikte in 2024 een vergelijkbare waarde van 207. Dat lijkt in tegenspraak met de afname van het totale aantal territoria, maar beide cijfers meten iets anders. In de groepsindex telt de ontwikkeling van iedere soort even zwaar. De groei van onder andere Blauwborst, Rietzanger, Sprinkhaanzanger en Roerdomp compenseert daarin de afname van de zeer talrijke Kleine Karekiet.
De toename van Blauwborst, Rietzanger en Roerdomp sluit aan bij de landelijke ontwikkeling. Het verdwijnen van de Grote Karekiet past bij de landelijk zeer ongunstige ontwikkeling van deze soort. Opvallend is juist de lokale afname van de Kleine Karekiet, die landelijk op lange termijn ongeveer stabiel is. Ook de Rietgors ontwikkelt zich in Meijendel duidelijk ongunstiger dan landelijk.
Habitat en toegankelijkheid
Rietvegetaties liggen in Meijendel langs infiltratieplassen, in vochtige duinvalleien en plaatselijk in natte ruigten. De habitatkartering uit 2014 bevat binnen de onderzochte vogelplots 7,43 hectare van habitattype H2190D, hoge moerasvegetaties. Dit is een bruikbare aanwijzing voor de verspreiding van moerashabitat, maar geen volledige kartering van alle rietvegetaties.
Van deze 7,43 hectare lag 81% in plots die niet volledig vrij toegankelijk waren: 3,27 hectare in afgesloten plots, 1,22 hectare in plots met beperkte toegang en 1,55 hectare in deels toegankelijke plots. De vogeltellingen worden hier uitgevoerd door tellers met toestemming. Rust en beperkte betreding kunnen vooral voor soorten van brede rietkragen en moerasoevers belangrijk zijn.
Permanente quadraten
Voor deze vogelgroep leveren de vegetatiemetingen aanvullende informatie op. In 62 permanente quadraten die zowel in 2005 als in 2025 zijn onderzocht, nam de gemiddelde bedekking door Riet toe van 1,55% naar 6,76%. In beide jaren kwam Riet in twintig van deze quadraten voor. Binnen deze steekproef werd het riet dus gemiddeld dichter, zonder dat het zich over meer quadraten verspreidde.
Deze voorlopige PQ-uitkomst vertegenwoordigt niet alle rietvelden van Meijendel. Bovendien is meer rietbedekking niet automatisch gunstig voor iedere rietvogel. Ook waterdiepte, waterpeil, ouderdom en stevigheid van het riet en de lengte van de overgang tussen riet en open water zijn bepalend. De vegetatie- en vogelgegevens laten gelijktijdige veranderingen zien, maar bewijzen geen rechtstreeks oorzakelijk verband.
Methodologie
De aantallen zijn gebaseerd op territoria die tijdens broedvogelkarteringen in de onderzochte plots zijn vastgesteld. De dichtheid is berekend over het volledige onderzochte plotoppervlak en niet uitsluitend over de oppervlakte riet.
De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices, waarbij iedere soort even zwaar meetelt. Hierdoor kan de groepsindex stijgen terwijl het totale aantal territoria afneemt. Bij de interpretatie van de lange reeks moet rekening worden gehouden met de beperktere dekking in de beginjaren en de overgang naar de BMP-methode rond 1984.
De toegankelijkheid is gebaseerd op de toegangsstatus van de telplots in 2024, gecombineerd met de habitatkartering uit 2014. De PQ-vergelijking gebruikt alleen quadraten die in beide jaren zijn onderzocht.