De ecologische vogelgroep Bebouwing bestaat uit dertien soorten. In de onderliggende landelijke indeling heet deze groep Vogels van bebouwing/overige. Niet alle soorten zijn dus echte gebouwbroeders. Boerenzwaluw, Huismus, Kauw, Kerkuil, Spreeuw en Zwarte Roodstaart kunnen sterk van gebouwen afhankelijk zijn, maar Koekoek en Bonte Vliegenvanger horen op andere ecologische gronden bij deze verzamelgroep.
De grafiek is daarom geen zuivere indicator voor de kwaliteit van gebouwen. Hij laat de gezamenlijke ontwikkeling zien van een kleine en gevarieerde groep soorten die in Meijendel deels gebruikmaakt van gebouwen, erven, nestkasten, boomholten en andere menselijke voorzieningen.
Ontwikkeling in Meijendel
In 2025 werden 89 territoria vastgesteld, ofwel 4,8 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 364 territoria en 19,4 territoria per km². Het totale aantal nam sinds 1990 dus met 76% af.
Het hoogste aantal na 1990 werd in 1993 bereikt, met 415 territoria. Daarna volgde een vrijwel doorgaande daling. In 2024 resteerden 81 territoria, het laagste aantal sinds 1990. De stijging naar 89 in 2025 is te klein en te kort om al van herstel te spreken.
De daling van 272 territoria in 1983 naar 136 in 1984 valt samen met de invoering van de BMP-methode. Deze sprong kan daarom niet volledig als ecologische verandering worden geïnterpreteerd.
Kauw en Spreeuw vrijwel verdwenen
In 1990 bepaalden drie soorten het beeld: Kauw met 153 territoria, Spreeuw met 79 en Koekoek met 48. Samen vormden zij 77% van de groep.
In 2025 was de Koekoek met 27 territoria de talrijkste soort, gevolgd door Witte Kwikstaart met 14, Huismus met 12, Holenduif met 11 en Boerenzwaluw met 10 territoria. Kauw en Spreeuw waren teruggevallen naar respectievelijk vier en één territorium.
De Kauw verloor daarmee 97% van het aantal uit 1990 en de Spreeuw 99%. De Ringmus, in 1990 nog met 26 territoria aanwezig, ontbrak in 2025. Ook de Gierzwaluw werd dat jaar niet als territoriumsoort vastgesteld.
Enkele soorten ontwikkelden zich gunstiger. De Boerenzwaluw nam toe van vier territoria in 1990 naar tien in 2025 en de Witte Kwikstaart van zes naar veertien. De Zwarte Roodstaart steeg van één naar vier territoria. De Huismus kwam in 2025 uit op twaalf territoria, maar de sterke jaarlijkse schommelingen maken een conclusie over recent herstel nog onzeker.
Niet iedere soort meet bebouwing
De Koekoek vormde in 2025 30% van het totale aantal, maar is niet afhankelijk van gebouwen. Ook Bonte Vliegenvanger en Holenduif kunnen buiten bebouwing broeden. Veranderingen in het groepstotaal kunnen daarom niet zonder meer worden toegeschreven aan renovatie, sloop of veranderingen in nestgelegenheid.
Zonder de Koekoek telde de groep in 2025 62 territoria. Dat onderstreept hoe klein de populatie van de meer direct met bebouwing verbonden soorten in Meijendel inmiddels is.
Lokale en landelijke ontwikkeling
De groepsindex voor Meijendel daalde van 100 in 1990 naar ongeveer 18 in 2025. De landelijke groepsindex bleef veel stabieler en stond in 2024 op ongeveer 97. De achteruitgang is in Meijendel dus aanzienlijk sterker dan landelijk.
De Kauw neemt landelijk recent licht af, maar de lokale daling van 153 naar vier territoria is veel sterker. De Spreeuw nam landelijk sinds 1990 met ongeveer 60% af; in Meijendel resteerde in 2025 nog maar één territorium.
Het verdwijnen van de Ringmus uit Meijendel past bij de sterke landelijke achteruitgang. De Huismus nam landelijk sinds 1990 af, maar vertoont recent enig herstel. Of de lokale stijging in 2025 daarbij aansluit, kan pas na meer teljaren worden beoordeeld.
Bebouwd oppervlak en toegankelijkheid
Voor Bebouwing bestaat geen Natura 2000-habitattype. Als praktische benadering is daarom het CBS-landgebruik uit 2017 gebruikt. Binnen de vogelplots was ongeveer 24 hectare geclassificeerd als ‘bebouwd exclusief bedrijfsterrein’. Dat is circa 1,3% van het onderzochte gebied.
Deze klasse is geen meting van het werkelijke gebouwoppervlak en zegt niets over dakconstructies, open stallen, nestopeningen, nestkasten of de geschiktheid van individuele gebouwen. Juist deze eigenschappen bepalen of gebouwbroeders ergens kunnen nestelen.
Van het als bebouwd geclassificeerde land lag volgens de toegangsstatus van 2024 ongeveer 76% in afgesloten plots en 24% in volledig vrij toegankelijke plots. Dit weerspiegelt waarschijnlijk mede de ligging van bedrijfs- en waterwinningsterreinen. De toegangsstatus zegt niets over de toegankelijkheid van gebouwen voor vogels of voor medewerkers.
Methodologie
De dichtheid is berekend over het volledige onderzochte plotoppervlak. Omdat bebouwing maar ongeveer 1,3% van dat gebied beslaat, is deze dichtheid geen maat voor het aantal territoria per hectare bebouwing.
De tellingen zijn reguliere broedvogelkarteringen en geen volledige inspecties van ieder gebouw, dak of nestgat. Vooral verborgen of kolonievormende gebouwbroeders kunnen daardoor lastiger volledig worden geteld.
De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices. Iedere soort telt daarin ongeveer even zwaar. De naam Bebouwing is een verkorte publieksnaam voor de bredere ecologische categorie Vogels van bebouwing/overige.
Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid. Rond 1984 veranderde de telmethode door de invoering van BMP. Veranderingen rond deze jaren moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd.