Terug naar vogelgroepen

Open heide en hoogveen

Deze groepspagina hoort bij Ecologische vogelgroepen.

De groep Open heide en hoogveen omvat twaalf soorten van open, voedselarme landschappen met een lage vegetatie. De naam komt uit de landelijke ecologische indeling. In Meijendel komen vrijwel geen echte heide- of hoogveenvegetaties voor. De soorten leven hier vooral in open duinen, schrale gras- en kruidenvegetaties en plaatselijk in vochtige duinvalleien.

De groep overlapt daardoor met H2130 Grijze duinen en met de vogelgroepen Grazige vegetaties en Pioniersvegetaties en ruigten. Het gaat niet om soorten van één afgebakend habitattype, maar om vogels die openheid en een lage vegetatiestructuur gemeen hebben.

Ontwikkeling in Meijendel

In 2025 werden 75 territoria vastgesteld, ofwel 4,0 territoria per km² onderzocht gebied. In 1990 waren dat 52 territoria en 2,8 territoria per km². Het totale aantal nam sinds 1990 dus met 44% toe.

Over een langere periode is het beeld minder gunstig. In 1976 telde de groep 251 territoria. Sindsdien resteert een afname van 70%. Rond 2010-2014 werd een dieptepunt bereikt, met 34 territoria in 2013. Vanaf dat jaar verdubbelde het totaal ruim tot 75 in 2025.

De sterke daling van 181 territoria in 1983 naar 89 in 1984 valt samen met de overgang naar de BMP-methode. Deze sprong kan daarom niet volledig als ecologische verandering worden geïnterpreteerd.

De Graspieper bepaalt het recente herstel

De samenstelling van de groep veranderde sterk. In 1976 waren Veldleeuwerik met 70 territoria, Graspieper met 49, Wulp met 38, Kievit met 33, Bergeend met 29 en Scholekster met 27 nog allemaal belangrijke soorten.

In 2025 werden nog zes van de twaalf groepssoorten vastgesteld. De Graspieper was met 59 territoria goed voor 79% van het totaal. Daarnaast waren er 10 Kieviten, 3 Veldleeuweriken en telkens één territorium van Gele Kwikstaart, Tureluur en Watersnip.

Bergeend, Scholekster en Wulp, in 1990 nog met respectievelijk 14, 10 en 8 territoria aanwezig, ontbraken in 2025. Ook Kwartel, Paapje en Patrijs werden dat jaar niet als territoriumsoort vastgesteld. Het herstel van het totale aantal territoria betekent dus niet dat de hele vogelgemeenschap herstelt: het wordt vrijwel volledig gedragen door de Graspieper.

Lokale en landelijke ontwikkeling

De groepsindex voor Meijendel daalde van 100 in 1990 naar ongeveer 9 in 2025. De landelijke index daalde eveneens, maar minder sterk: van 100 naar ongeveer 38 in 2024. Zowel lokaal als landelijk staat deze vogelgroep dus onder druk, maar de afname is in Meijendel aanzienlijk groter.

Dat de groepsindex sterk daalt terwijl het totale aantal territoria sinds 1990 stijgt, komt door de berekeningswijze. In de groepsindex telt iedere soort ongeveer even zwaar. De toename van één talrijke soort kan daardoor het verdwijnen van meerdere andere soorten niet compenseren.

De Graspieper ontwikkelt zich in Meijendel gunstiger dan landelijk. Landelijk is de langetermijntrend ongeveer stabiel, met recent een lichte toename. De Veldleeuwerik daalde in Meijendel van 70 territoria in 1976 naar 3 in 2025. Dat past bij de landelijke achteruitgang sinds 1990, al is er landelijk recent enig herstel.

Ook de afname van Kievit, Scholekster en Wulp sluit aan bij hun landelijke ontwikkeling. Vooral de Wulp is als broedvogel vrijwel uit de Nederlandse duinen buiten het Waddengebied verdwenen.

Habitat en toegankelijkheid

Omdat echte heide en hoogveen in Meijendel vrijwel ontbreken, vormen de Grijze duinen de beste beschikbare habitatbenadering. De habitatkartering uit 2014 bevat binnen de vogelplots ongeveer 553 hectare H2130A en H2130B. Deze oppervlakte omvat kalkrijke en kalkarme grijze duinen, maar is geen exacte afbakening van het leefgebied van de vogelgroep. De soorten gebruiken ook witte duinen, vochtige valleien, oevers en andere open terreinen.

Van deze 553 hectare lag volgens de toegangsstatus van 2024 ongeveer 26% in afgesloten plots en 34% in plots met beperkte toegang. Nog eens 14% lag in deels afgesloten of deels beperkt toegankelijke plots. Ongeveer 26% lag in volledig vrij toegankelijke plots.

Veel groepssoorten broeden op de grond. Afgesloten en beperkt toegankelijke terreinen kunnen daarom belangrijke rustige broedplaatsen bieden. De toegangsstatus meet echter geen daadwerkelijke bezoekersdruk, betreding buiten de paden of verstoring op individuele nestplaatsen. De vogeltellingen in afgesloten gebieden worden uitgevoerd door tellers met toestemming.

Methodologie

De dichtheid is berekend over het volledige onderzochte plotoppervlak en niet uitsluitend over de oppervlakte open duin of lage vegetatie.

De groepsindex is het meetkundig gemiddelde van de afzonderlijke soortindices. Iedere soort telt daarin ongeveer even zwaar. Hierdoor beschrijft de index de gemiddelde ontwikkeling van de soorten beter dan het totale aantal territoria, dat momenteel sterk door de Graspieper wordt bepaald.

De naam Open heide en hoogveen is een ecologische groepsnaam en geen Natura 2000-habitattype voor Meijendel. Rond 1973 werd het onderzochte gebied uitgebreid. Rond 1984 veranderde de telmethode door de invoering van BMP. Veranderingen rond deze jaren moeten daarom voorzichtig worden geïnterpreteerd.

Meer weten?