Terug naar vogelgroepen

H6430 – Ruigten en zomen

Deze groepspagina hoort bij Habitat groepen (Natura 2000).

Ruigten en zomen: een vogelgroep in verandering

Ruigten en zomen zijn overgangen met hoge kruiden, grassen en verspreide struiken. Vogels vinden er voedsel, zangposten en beschutte nestplaatsen. De vogelgroep omvat negen soorten, waaronder Nachtegaal, Roodborsttapuit, Sprinkhaanzanger, Kneu en Bosrietzanger.

Deze ecologische vogelgroep is ruimer dan het beschermde habitattype H6430. Alleen soortenrijke ruigten met een kenmerkende vegetatie behoren tot het Natura 2000-habitattype. Voor Meijendel en Berkheide betreft dit H6430A: ruigten en zomen met moerasspirea.

Hoog totaal, maar een andere samenstelling

In 2025 werden binnen de onderzochte kavels 716 territoria van deze vogelgroep vastgesteld, overeenkomend met 38,2 territoria per vierkante kilometer. Dat is vrijwel gelijk aan het hoogste resultaat uit de reeks: 719 territoria in 2024.

Vergeleken met 1990 nam het totaal met 21% toe, van 592 naar 716 territoria. Na een dieptepunt van 414 territoria in 2008 volgde een stijging van 73%. Achter dat gunstige groepscijfer gaat echter een sterke verandering in de soortensamenstelling schuil.

De Nachtegaal nam af van 452 territoria in 1990 naar 270 in 2025. Daartegenover staan sterke toenamen van onder meer:

  • Roodborsttapuit: van 7 naar 134 territoria;
  • Sprinkhaanzanger: van 42 naar 88;
  • Rietzanger: van 6 naar 27;
  • Blauwborst: van geen territoria in 1990 naar 38 in 2025;
  • Cetti’s Zanger: van geen territoria naar 80.

De Kneu bleef met 48 territoria in 1990 en 50 in 2025 ongeveer gelijk. De Bosrietzanger daalde van 37 naar 29 territoria. Het Paapje, waarvan in 1993 nog twee territoria werden gevonden, ontbrak in 2025.

De toename van de vogelgroep betekent dus niet dat de vroegere vogelgemeenschap is hersteld. De groep is tegenwoordig veel minder door de Nachtegaal en veel sterker door Roodborsttapuit, Cetti’s Zanger en andere ruigtesoorten bepaald.

Vergeleken met Nederland

De lokale groei van Roodborsttapuit, Blauwborst, Rietzanger, Sprinkhaanzanger en Cetti’s Zanger past bij hun landelijke ontwikkeling. Vooral de Roodborsttapuit heeft zich sinds 1990 in Nederland sterk hersteld.

Niet alle soorten volgen echter het landelijke beeld. De Nachtegaal nam in Meijendel met ongeveer 40% af, terwijl de Nederlandse broedpopulatie sinds 1990 juist een matige toename vertoont. De Kneu bleef lokaal ongeveer stabiel, tegenover een duidelijke landelijke afname. De Bosrietzanger daalde in Meijendel enigszins, terwijl de landelijke stand over langere tijd ongeveer stabiel is. Zie onder meer de landelijke soortinformatie voor Roodborsttapuit, Nachtegaal en Bosrietzanger.

Het beschermde habitattype is niet meer gekarteerd

Op de meest recente habitatkaart is H6430A niet meer in Meijendel en Berkheide aangetroffen. Op de oude kaart ging het om slechts circa 0,065 hectare, verdeeld over twee locaties. Vanwege die uiterst kleine oppervlakte en mogelijke verschillen in kartering kan hieruit niet met zekerheid worden afgeleid dat de vegetatie daadwerkelijk geheel is verdwenen.

Er komt nog wel verwante ruigtevegetatie voor, maar daarin ontbreekt moerasspirea, een vereiste soort voor H6430A. Ook wordt de voor een goed functionerend habitattype benodigde oppervlakte van enkele hectares niet gehaald.

Dat de ruigtevogelgroep momenteel veel territoria telt, is hiermee niet in tegenspraak. De vogels benutten ook andere hoge kruidenvegetaties, vochtige randen, rietruigten en jong struweel. Hun ontwikkeling is daarom geen rechtstreekse maat voor de toestand van het formele Natura 2000-habitattype. Meer achtergrond staat in het landelijke profiel van H6430.

Toegang en tellingen

De oude habitatkartering overlapte met drie vogelkavels. Deze kavels hebben alle een beperkte toegang en worden alleen door bevoegde tellers betreden. Op de actuele habitatkaart is geen H6430A meer aanwezig, zodat er momenteel geen toegangsoppervlakte voor dit habitattype kan worden berekend.

Methodologie

De grafiek toont per jaar het totaal van de vastgestelde territoria van negen vogelsoorten met een sterke of matige binding aan ruigten en zomen. De dichtheid is berekend over de totale oppervlakte van de in dat jaar onderzochte vogelkavels, niet uitsluitend over de oppervlakte van het formele habitattype.

Veranderingen in onderzoeksgebied en telmethode, met name rond 1973 en 1984, veroorzaken zichtbare sprongen in de lange reeks. Voor de vergelijking van afzonderlijke soorten en de recente ontwikkeling gebruiken we daarom vooral de beter vergelijkbare periode vanaf 1990. De cijfers tonen gelijktijdige veranderingen in vogels en landschap, maar bewijzen niet dat een verandering in vegetatie rechtstreeks de oorzaak is van een vogeltrend.

Meer weten