Kranswierwateren zijn kalkhoudende wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie van kranswieren. Zulke vegetaties bieden voedsel en structuur aan waterdieren en kunnen daardoor belangrijk zijn voor watervogels. Het officiële habitattype kent geen typische vogelsoorten: de typische soorten van H3140 zijn kranswieren. De vogels op deze pagina vormen een afzonderlijke, ecologisch samengestelde vogelgroep. Natura 2000-profiel H3140.
De groep bestaat uit dertien soorten. Dodaars, fuut, geoorde fuut, krooneend, kuifeend, roodhalsfuut en tafeleend zijn sterk aan het habitattype gekoppeld. Knobbelzwaan, krakeend, meerkoet, slobeend, wintertaling en zomertaling hebben een bredere habitatkeuze en zijn daarom als matig gekoppeld opgenomen.
Ontwikkeling in Meijendel
In 2025 werden 412 territoria van deze vogelgroep vastgesteld. Gecorrigeerd voor de onderzochte oppervlakte komt dit overeen met 22,0 territoria per km².
In 1990 waren er 623 territoria, of 33,3 per km². De groep bereikte in 1993 een maximum van 775 territoria en 41,4 territoria per km². Daarna volgde een langdurige afname. In 2005 resteerden 383 territoria. Vervolgens trad enig herstel op, met 526 territoria in 2020. Daarna daalde het aantal opnieuw naar 478 in 2024 en 412 in 2025.
Ten opzichte van 1990 ligt de huidige dichtheid ongeveer 34% lager. Ten opzichte van de piek in 1993 bedraagt de afname ongeveer 47%.
De soortensamenstelling veranderde daarbij sterk. Tussen 1990 en 2025 daalde het aantal territoria van:
- meerkoet van 225 naar 142;
- kuifeend van 144 naar 56;
- tafeleend van 88 naar 38;
- fuut van 48 naar 15;
- geoorde fuut van 13 naar 1;
- slobeend van 13 naar 0.
Daartegenover staan de toename van dodaars, van 43 naar 64 territoria, en vooral de vestiging van de krooneend. Deze soort ontbrak in 1990, maar telde in 2024 86 en in 2025 51 territoria. Krakeend bleef met 33 territoria in 2025 iets onder de 38 van 1990.
De krooneend heeft binnen deze vogelgroep de duidelijkste rechtstreekse relatie met kranswieren, die een belangrijk deel van zijn voedsel vormen. De andere soorten reageren ook op waterdiepte, oevervegetatie, vis, waterdieren, rust en beschikbaar nesthabitat. Het groepscijfer is daarom geen eenvoudige maat voor de hoeveelheid kranswier.
Vergeleken met Nederland
De opkomst van de krooneend in Meijendel past bij de sterke landelijke toename. Sovon brengt het landelijke herstel mede in verband met de terugkeer van kranswieren na verbetering van de waterkwaliteit. Sovon – Krooneend.
Ook de toename van dodaars sluit aan bij de landelijke ontwikkeling. De soort profiteert van natte natuur en plassen met voldoende oeverbegroeiing, maar kan sterk reageren op droge voorjaren en strenge winters. Sovon – Dodaars.
De afname van fuut, tafeleend en slobeend in Meijendel komt in richting overeen met hun landelijke ontwikkeling. Bij andere soorten is het lokale verlies veel sterker. De landelijke kuifeendenstand bleef sinds 1990 ongeveer gelijk, terwijl de soort in Meijendel met ruim 60% afnam. Meerkoet bleef landelijk eveneens betrekkelijk stabiel, maar daalde lokaal met ongeveer 37%. Sovon – Kuifeend en Sovon – Meerkoet.
Het opvallendste verschil betreft de krakeend. Deze soort nam landelijk sterk toe, maar kwam in Meijendel in 2025 iets lager uit dan in 1990. De landelijke groei heeft hier dus niet geleid tot een vergelijkbare lokale toename. Sovon – Krakeend.
Habitatkwaliteit en waterbeheer
Op de nieuwste habitatkaart is in Meijendel & Berkheide 40,9 hectare H3140 gekarteerd. Hiervan ligt ongeveer 25,6 hectare in Meijendel, voornamelijk in de Langestrook, Tafelberg-’t Scheepje en Ruijgenhoek. Een zeer klein oppervlak ligt in Helmduinen en Prinsenduin.
Op de oudere kaart stond 17,5 hectare. De schijnbare toename van ruim 23 hectare mag niet volledig als nieuw ontstaan habitat worden beschouwd. H3140 was bij de oudere kartering nog geen doel voor dit Natura 2000-gebied. Bij de recente kartering is daarom gerichter naar kranswieren gezocht en zijn de infiltratieplassen en kanalen speciaal bemonsterd.
De gekarteerde vegetatie wordt volledig als goed beoordeeld. In het gebied zijn vijf kenmerkende kranswieren vastgesteld, waaronder ruw kransblad, stekelharig kransblad en sterkranswier. Zuurgraad, waterdiepte en zoutgehalte voldoen volgens de evaluatie overwegend aan de voorwaarden voor het habitattype.
Over enkele belangrijke kenmerken ontbreken echter gegevens. Er is geen gebiedsdekkend oordeel beschikbaar over het doorzicht, het aandeel van de bodem dat met onderwaterplanten is bedekt en de voedselrijkdom. De kwaliteit van structuur en ecologisch functioneren kan daardoor nog niet volledig worden beoordeeld.
Onderzoek naar waterwinning en natuur laat zien dat voorzuivering en verwijdering van voedselrijk slib tot herstel van grote oppervlakten kranswiervegetatie hebben geleid. De blijvende aanvoer van voedingsstoffen door het infiltratiewater kan de duurzaamheid van dit herstel echter beïnvloeden. Waterwinning en natuur in de duinen.
De sterke afname van de totale vogelgroep staat dus naast een gunstige beoordeling van de gekarteerde kranswiervegetatie. Dat is geen tegenspraak: veel geselecteerde vogels zijn behalve van onderwatervegetatie ook afhankelijk van oevers, prooidieren, waterpeil, rust en andere eigenschappen van de plassen.
Toegankelijkheid
De belangrijkste H3140-wateren in Meijendel liggen grotendeels bij infiltratieplassen in het waterwingebied. Niet al deze plassen en oevers zijn voor bezoekers vrij toegankelijk. Bevoegde vogeltellers kunnen ook afgesloten kavels onderzoeken, waardoor de grafiek meer omvat dan alleen de vanaf openbare paden zichtbare wateren.
Een exacte verdeling in vrij, beperkt en niet toegankelijk oppervlak kan nog niet verantwoord worden gegeven. De recente H3140-kaart is namelijk nog niet gekoppeld aan de toegankelijkheidskaart van de vogeltelkavels. De oudere habitatkaart uit 2014 bevat H3140 niet afzonderlijk.
Methodische kanttekening
De grafiek combineert de territoria van dertien geselecteerde soorten: zeven sterk en zes matig aan H3140 gekoppelde soorten. Het aantal territoria wordt jaarlijks gedeeld door de totale oppervlakte van de onderzochte vogeltelkavels. Hierdoor zijn jaren met een verschillende getelde oppervlakte beter vergelijkbaar.
De territoria worden per volledige vogeltelkavel geteld en niet uitsluitend binnen de gekarteerde kranswierwateren. Bovendien gebruiken de geselecteerde soorten ook ander open water, rietkragen en oevers. De grafiek beschrijft daarom de ontwikkeling van een watergebonden vogelgroep in Meijendel, niet uitsluitend de vogels die binnen H3140 broeden.
Rond 1973 werd het telgebied uitgebreid en vanaf 1984 veranderde de inventarisatiemethode. De opvallend lage waarde in 1984 moet daarom niet als een plotselinge ecologische verandering worden geïnterpreteerd.