Terug naar nieuws

Oktobertelling 2026: Late trek na lange warme zomer?

24-10-2026

Zowel in september als in oktober blijken dit jaar aantal en dichtheid van de vogels in Meijendel minimaal te zijn (zie grafiek). Met 5097 vogels, geteld op 10,2 km² (27 kavels) kwam de dichtheid uit op 500 per km². Het aantal soorten lag deze keer met 84 wél boven het maandgemiddelde, onder andere ‘leuke’ soorten.

Eigenlijk begon de herfst zich dit jaar pas bij de oktobertellingen wat meer herkenbaar te manifesteren. Na een zomer die bepaald extra aandacht opriep voor de klimaatverandering, benaderden de temperatuur en het neerslagkarakter juist rond en op de teldata van oktober de vertrouwde herfstwaarden. 

Dit laatste lijkt goed terug te zien in de telresultaten: de dichtheden van bekende trekvogels als lijster-, goudhaan-, sommige vinkensoorten en spreeuwen zijn opvallend onder de maandgemiddelden beperkt gebleven, Futen komen kennelijk nog niet richting zee en … een golf van Pimpelmezen zoals vorig jaar is er bijv. niet. 

Wie de computer het rekenwerk laat doen, vindt topdichtheden eigenlijk vooral voor soorten waarvan zich in de loop der jaren geen of slechts een enkeling laat waarnemen. Hierop kom ik aan het eind nog terug.

Zoeken we naar algemenere toppers in de dichtheid, dan past het dit keer om stil te staan bij de volgende soorten: de Staartmees en de Putter. Deze beide soorten hebben hun record-dichtheden voor oktober waarschijnlijk te danken aan een vergelijkbaar verschijnsel: de aanwezigheid van relatief grote groepen in weinig kavels. Veel Staartmezen waren er vooral in de kavels 51 (65) en 3 (33) en ook in de kavels 1B, 42 en 61. En veel (25) Putters werden aangetroffen in kavel 13S.

De Roodborst blijkt overigens gewoon(tegetrouw) te trekken en werd in groten getale gesignaleerd. Verheugend is voorts dat de Groene specht weer eens aanzienlijk van zich liet horen en/of zien: de soort bereikte een dichtheid van 1,27 vogels/km². De oktoberdichtheid is sinds 2015 (dichtheid: 1,7 vogels/km²) niet meer zo hoog geweest.

Als soorten die het t.o.v. voorgaande jaren een beetje af lieten weten, zijn vooral te noemen: de Meerkoet, de Houtduif en de Winterkoning. De Meerkoet lijkt in de loop der (laatste) jaren zelfs geleidelijk enigszins achteruit te gaan in Meijendel. Maar er zijn er nog heel wat; het is in Meijendel een veel voorkomende soort. Van de Houtduif zijn er nu slechts 5 exemplaren waargenomen. De resultaten van deze beide soorten kunnen overigens te maken hebben met veranderingen in de samenstelling van de groep geïnventariseerde kavels. 

Dit laatste geldt niet voor de Winterkoning. Die komt overal in Meijendel wel voor, maar die laat zich in telperioden niet altijd en overal in gelijke mate zien of horen.

Tot slot terugkomend op de aanwezigheid van opvallende soorten die – juist vanwege hun onregelmatige verschijning, veelal als enkelingen – plotseling wel erg gemakkelijk meteen zelfs in of naar records kunnen klimmen: vermeldenswaardige waarnemingen in deze telronde waren: de Kleine zwaan in kavel 16, het Smelleken in kavel 61, de Bosuilen (1 in kavel 51 en 1 in kavel 65), de Bladkoning in kavel 77, de Bonte vliegenvanger in kavel 13S, de Baardman in kavel 14, de Appelvink in kavel 65 en ook 6 Houtsnippen en 2 Tapuiten (verdeeld over enkele kavels) en een vijftal Witkopstaartmezen in kavel 33.

Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)