Winterse duinplas met kale takken en open water in Meijendel
Verhalen uit Meijendel

Vogels op de klok van het weer

Wat warme voorjaren, koude weken en ijs veranderen aan onze tellingen

Vogels leven niet alleen in een landschap, maar ook in een kalender. Een zacht voorjaar kan die kalender naar voren schuiven. Een koude winterweek kan hem abrupt herschikken. De tellingen van Meijendel laten beide bewegingen zien: sommige trekvogels worden in warme voorjaren eerder opgemerkt, terwijl kou en ijs in de winter veranderen welke soorten tellers aantreffen en in welke aantallen.

Deel 1

Een vogelkalender uit bijna 300.000 waarnemingen

Elke teldag heeft zijn eigen weer

Sinds 2007 bevat de Meijendeldatabank 297.092 gedateerde BMP-waarnemingen. Iedere waarneming kan worden gekoppeld aan het weer van die dag. Daarvoor is een aaneengesloten reeks van 24.837 dagen beschikbaar, van 1 januari 1958 tot en met 31 december 2025. Tot 3 mei 2016 komt het weer van station Valkenburg; daarna van station Voorschoten. De twee stations overlappen niet, zodat een verschil tussen stations nooit los kan worden gezien van een verschil tussen perioden.1

Voor aankomstfenologie is niet simpelweg de vroegste datum uit ieder jaar gebruikt. Een vogel kan immers niet worden geregistreerd vóór de eerste telling. Daarom is bij iedere soort rekening gehouden met de eerste BMP-teldag van het jaar. Vervolgens zijn de jaren met de koudste en warmste maart en april vergeleken. In het koudste derde deel was het gemiddeld ongeveer 6,9 °C; in het warmste derde deel ongeveer 9,4 °C.

Eerste waarneming is niet hetzelfde als aankomst

De eerste registratie zegt wanneer een teller een soort voor het eerst vastlegde. Ook zangactiviteit, trefkans, route en telplanning spelen mee. De uitkomst is daarom een maat voor de waargenomen fenologie, niet de exacte dag waarop de eerste vogel Meijendel bereikte.

Toch komt uit die voorzichtige vergelijking een duidelijk patroon. Niet alle trekvogels reageren hetzelfde, maar bij een aantal soorten verschuift de eerste waarneming in warme voorjaren opvallend sterk naar voren.

Deel 2

Sommige zomervogels schuiven mee

Negen dagen verschil

De Blauwborst werd in de warmste voorjaren gemiddeld ruim negen dagen eerder geregistreerd dan in de koudste. Voor de Rietzanger was het verschil bijna negen dagen. Braamsluiper en Bosrietzanger verschenen in de tellingen ongeveer zes dagen eerder. Bij de Sprinkhaanrietzanger was de verschuiving kleiner: nog geen twee dagen.2

Warm versus koud voorjaar

Blauwborst

9,1 dagen eerder

Het sterkste verschil in de onderzochte selectie.

Warm versus koud voorjaar

Rietzanger

8,9 dagen eerder

Ook na correctie voor de eerste teldag een duidelijk patroon.

Warm versus koud voorjaar

Braamsluiper

6,3 dagen eerder

Een middelgrote verschuiving in de eerste registratie.

Warm versus koud voorjaar

Bosrietzanger

6,2 dagen eerder

Bijna gelijk aan de verschuiving van de Braamsluiper.

Dit is geen algemene regel voor alle zomervogels. De Fitis was in warme voorjaren gemiddeld niet eerder, maar ongeveer één dag later. De Nachtegaal werd zelfs bijna zeven dagen later voor het eerst geregistreerd. Hun reis wordt mede bepaald door omstandigheden ver buiten Nederland en door een interne trekkalender. Een warm Meijendel kan een vogel die nog in Afrika of Zuid-Europa zit niet zonder meer eerder laten vertrekken.

Juist die uitzonderingen maken het patroon betekenisvol. Ze laten zien dat de database geen eenvoudig verhaal vertelt waarin ‘warm’ voor iedere soort ‘vroeg’ betekent. Het voorjaar opent de deur eerder, maar soorten verschillen in de snelheid waarmee zij daarvan gebruik kunnen maken. Meer over die uiteenlopende trekstrategieën staat in Van Meijendel naar Afrika en terug.

Deel 3

Kou herschikt de winter

Vijfentwintig winters volgens hetzelfde protocol

Voor de winteranalyse zijn 3.802 volledige reguliere bezoeken geselecteerd, verdeeld over 50 kavels en de seizoenen 2000/01 tot en met 2024/25. Per kavel en maand telt maximaal één bezoek mee: het bezoek dat het dichtst bij de vijftiende lag. Een koude week betekent hier dat de gemiddelde temperatuur in de zeven voorafgaande dagen minstens 3 °C onder het gemiddelde van die kalendermaand lag. Van alle geselecteerde bezoeken vielen er 407 in zo’n koude week.3

Bij Houtsnip, Kramsvogel en Koperwiek was het verschil het duidelijkst. De Houtsnip werd tijdens 40,8 procent van de koude bezoeken gezien, tegen 24,0 procent van de bezoeken bij normale temperaturen. Voor Kramsvogel was dat 38,8 tegen 24,8 procent en voor Koperwiek 37,3 tegen 29,1 procent.

Ook de geregistreerde aantallen veranderden. Tijdens koude weken telden waarnemers gemiddeld 1,29 Houtsnippen per bezoek, tegen 0,41 in normale weken. Bij de Kramsvogel ging het om gemiddeld 10,71 tegen 6,03 vogels. Koperwiek steeg minder in aanwezigheid, maar het gemiddelde aantal lag met 9,73 eveneens hoger dan de 9,50 in normale weken en de 4,08 in warme weken.

Geen bewijs van herkomst

De tellingen volgen geen individuele vogels. Ze kunnen daarom niet aantonen of dieren uit Noord- of Oost-Europa kwamen, uit een ander deel van Nederland naar Meijendel trokken of binnen het duingebied een andere plek kozen. Het patroon past bij winterse verplaatsing en concentratie, maar bewijst de route niet.

Andere soorten werden juist minder vaak of in lagere aantallen geregistreerd. Tjiftjaf kwam voor tijdens 12,8 procent van de koude bezoeken, tegenover 31,5 procent in normale weken. Ook Kuifeend, Meerkoet en Aalscholver lagen tijdens koude weken lager. Kou brengt dus niet simpelweg ‘meer wintervogels’. Zij verandert de verdeling van soorten en de plekken waar voedsel of open water nog bereikbaar is.

Deel 4

IJs maakt het gebied kleiner

Open water wordt een schaars goed

Vanaf 2012 is de registratie van ijs volledig genoeg voor een afzonderlijke vergelijking. Bij bezoeken zonder ijs werden gemiddeld 20,3 soorten en 175,9 vogels geregistreerd. Waar plaatselijk ijs lag, daalden die gemiddelden naar 18,9 soorten en 132,7 vogels. Wanneer overal ijs was genoteerd, resteerden gemiddeld 16,5 soorten en 124,0 vogels per bezoek.4

Dat verschil is ecologisch logisch. IJs sluit foerageerplekken af, concentreert watervogels bij resterend open water en kan soorten geheel uit een kavel drukken. Maar de tellingen zeggen niet waar een ontbrekende vogel naartoe is gegaan. Minder vogels op een bevroren duinplas is niet hetzelfde als een kleinere regionale of landelijke populatie.

Ook hier reageren soorten verschillend. Grote Zaagbek en Nonnetje kunnen juist bij vorst opduiken waar nog open, visrijk water overblijft, maar hun aantallen in Meijendel zijn klein en wisselend. Dodaars en Waterral veranderden veel minder sterk. De wintergemeenschap is geen blok dat bij iedere vorstperiode dezelfde kant op beweegt.

Voor de eerste twaalf seizoenen is de ijsregistratie vaak onbekend: 1.466 geselecteerde bezoeken hebben geen bruikbare ijscode. Daarom zijn de gemiddelden naar ijstoestand alleen berekend met de bezoeken waarvoor de toestand bekend was. De temperatuurreeks bestrijkt wel de hele onderzoeksperiode.

Deel 5

Wat het weer wel en niet verklaart

Een klok en een schuifbord

De twee sterkste patronen uit de database vullen elkaar aan. In het voorjaar werkt temperatuur als een klok: bij enkele trek- en moerasvogels schuift de eerste registratie in warme jaren bijna een week of meer naar voren. In de winter werkt het weer als een schuifbord: kou en ijs veranderen welke plekken bruikbaar zijn en welke soorten tellers daar aantreffen.

Dat maakt weer belangrijk, maar niet almachtig. Een eerste waarneming hangt ook af van telmoment, zang en trefkans. Een wintertelling hangt naast temperatuur en ijs af van voedsel, waterstand, wind en de verdeling van vogels buiten Meijendel. De analyses vergelijken groepen bezoeken en jaren; zij volgen geen individuele dieren en tonen geen oorzaak-gevolgketen.

De cijfers beschrijven dus geen complete vogelreis. Ze laten wel overtuigend zien dat dezelfde telroute onder andere weersomstandigheden een andere vogelwereld kan opleveren. Wie lange reeksen wil begrijpen, moet daarom niet alleen vragen hoeveel vogels er waren, maar ook wanneer er werd geteld, hoe de voorafgaande week verliep en hoeveel water nog openlag.

Daar ligt de kracht van de Meijendelreeks. De vogels geven niet alleen informatie over het landschap. Samen met tientallen jaren weergegevens laten zij ook zien hoe snel dat landschap van betekenis kan veranderen: in het voorjaar met dagen, in de winter soms binnen één koude week. Het bredere verhaal over klimaat, trekstrategieën en langjarige veranderingen staat in Klimaatverandering bereikt Meijendel.

Bronnen en verantwoording

  1. Vogelwerkgroep Meijendel, databanktabellen dagbezoeken_bmp en dagwaarnemingen_bmp, gekoppeld aan de genormaliseerde dagelijkse weerreeks weer_analyse. Onderzochte BMP-waarnemingen: 2007–2025; weerreeks: 1958–2025.
  2. Eigen beschrijvende analyse van de eerste jaarlijkse BMP-registratie per soort, gecorrigeerd voor de eerste teldag. Vergelijking van het koudste en warmste derde deel van de maart-apriltemperaturen in 2007–2025.
  3. Vogelwerkgroep Meijendel, databanktabellen dagbezoeken_wv en dagwaarnemingen_wv. Selectie van 3.802 volledige reguliere bezoeken in september–maart, maximaal één bezoek per kavel en maand, 2000/01–2024/25. Zie ook Wintertellingen.
  4. Eigen beschrijvende analyse van de vastgelegde ijstoestand bij dezelfde winterbezoeken. De ijsvergelijking gebruikt alleen bezoeken met een bekende ijscode; deze registratie is vanaf 2012 volledig genoeg voor vergelijking.

De uitkomsten zijn associaties op het niveau van telbezoeken en jaren. Zij laten samenhang zien tussen weer, eerste registraties en winterse aantallen, maar bewijzen niet wanneer individuele vogels aankwamen, waar zij vandaan kwamen of waar zij naartoe verplaatsten.