Tjiftjaf op een dunne tak
Verhalen uit Meijendel

Klimaat­verandering bereikt Meijendel

Wie komt eerder, wie blijft langer en wie verdwijnt?

Jacob Spinks · Wikimedia Commons · CC BY 2.0

Klimaatverandering komt Meijendel niet binnen als één dramatische gebeurtenis. Zij klinkt eerst als een Tjiftjaf die vroeger in het voorjaar wordt gehoord, verschijnt als een Cetti’s Zanger die zich blijvend vestigt en valt pas later op als een vogel die niet meer naar het zuiden vertrekt. Maar de lange telreeks waarschuwt ook: niet iedere stijger is een klimaatwinnaar en niet iedere verliezer bezwijkt onder de warmte. Pas als de lokale veranderingen overeenkomen met landelijke patronen én de ecologie van een soort, wordt klimaat een aannemelijke verklaring.

Deel 1

De kalender schuift

Het voorjaar is anderhalve graad warmer

De temperatuurreeks in de Meijendel-database begint in 1958. Na controle met de genormaliseerde analysevelden laat zij een duidelijke verandering zien. De gemiddelde temperatuur van maart tot en met mei bedroeg in 1961–1990 ongeveer 8,1 °C en in 1996–2025 ongeveer 9,6 °C: een verschil van ongeveer anderhalve graad. Over de hele reeks is de stijging circa 0,36 °C per decennium. Voor april tot en met juli is de toename vergelijkbaar. De zachte voorjaren die vroeger uitzonderlijk waren, zijn onderdeel van het nieuwe klimaat geworden.12

Vogels kunnen daarop reageren door eerder te zingen, een territorium te bezetten of eieren te leggen. Landelijk begon de eileg van vijftien algemene soorten tussen 1986 en 2023 gemiddeld ongeveer acht dagen eerder. Die verschuiving verliep niet gelijkmatig: een groot deel vond vóór 2000 plaats en soorten reageerden verschillend. Dat landelijke getal mag dus niet zonder meer op Meijendel worden geplakt.3

Wat de bezoekdata wél kunnen vertellen

De broedvogeldatabase bevat naast territoria ook 7.227 gedateerde BMP-bezoeken. Voor de periode 2007–2025 is per kavel en soort bepaald op welke dag een soort voor het eerst tijdens een volledig bezoek werd genoteerd. Alleen kaveljaren met voldoende vroege én latere bezoeken zijn gebruikt. In de analyse is gecorrigeerd voor het tijdstip van het eerste bezoek en voor verschillen tussen kavels.1

Duidelijk eerder vastgesteld

Tjiftjafongeveer 6,5 dagen per decennium eerder Roodborsttapuitongeveer 5,0 dagen per decennium eerder Zwartkopongeveer 2,6 dagen per decennium eerder

Geen overtuigend lokaal signaal

Fitisongeveer 1,5 dag per decennium eerder, maar statistisch onzeker Wat wordt gemeten?eerste waarneming tijdens een telbezoek, niet aankomst of eileg Periode2007–2025; te kort voor conclusies over 1958–2025

De Tjiftjaf is het sterkste signaal. In 616 bruikbare kaveljaren, verdeeld over 44 kavels, schoof de eerste vaststelling duidelijk naar voren. Bij Zwartkop en Roodborsttapuit is de richting hetzelfde, maar het effect kleiner of gebaseerd op minder kavels. De Fitis laat geen overtuigende verschuiving zien. Dat contrast past bij de trekstrategieën: Tjiftjaffen overwinteren relatief dichtbij en kunnen snel reageren op omstandigheden in West-Europa; veel Fitissen komen uit Afrika ten zuiden van de Sahara en moeten hun vertrekbesluit op grote afstand nemen.45

Tjiftjaf op een dunne tak
De Tjiftjaf wordt in de recente bezoekreeks steeds vroeger in het seizoen vastgesteld. Dat is een fenologiesignaal, geen bewijs dat elk individu eerder uit het zuiden arriveert. Foto: Jacob Spinks, Wikimedia Commons, CC BY 2.0.

De kalender kan uit de pas gaan lopen

Eerder beginnen is alleen gunstig als ook het voedsel op het juiste moment beschikbaar is. Rupsen, kevers en andere insecten reageren eveneens op temperatuur, maar niet allemaal even snel. Nederlandse studies aan Bonte Vliegenvangers lieten zien dat populaties sterker afnamen waar de rupsenpiek vervroegde zonder dat de vogels hun broedseizoen voldoende konden bijstellen. De zwaarste gevolgen worden verwacht bij trekvogels die hun jaar over meerdere klimaatzones verdelen.67

Voor Meijendel ontbreken lange reeksen met eileg, uitkomstsucces en dagelijkse insectenpieken. De bezoekdata tonen daarom een verschoven kalender, maar nog niet of vogels daardoor meer jongen grootbrengen. Dat onderscheid is essentieel: eerder gehoord worden is een reactie; succesvol voortplanten is het resultaat.

Deel 2

De zuidgrens trekt noordwaarts

De Cetti’s Zanger kwam niet alleen door het riet

Weinig soorten verbeelden de noordwaartse verschuiving zo duidelijk als de Cetti’s Zanger. Deze standvogel van dicht, vaak vochtig struweel bereikte Nederland in de jaren zestig en zeventig, maar de strenge winters van 1979 en 1985 maakten vrijwel een einde aan die eerste vestigingsgolf. Vanaf 2005 begon een nieuwe, veel krachtiger uitbreiding. Inmiddels is de soort in het westen en zuidwesten van Nederland niet meer weg te denken.8

In de Meijendelreeks verschijnt de Cetti’s Zanger pas laat als regelmatige broedvogel. Vanaf 2011 komt een bruikbare reeks op gang, waarna de aantallen snel stijgen. Dat past bij het landelijke patroon en bij zachtere winters. Toch zou “klimaat” als enige verklaring te eenvoudig zijn. De vogel heeft ook een specifiek landschap nodig: dichte begroeiing langs water, rietranden en natte struwelen. Infiltratieplassen en begroeide oevers leverden in Meijendel de landingsbaan; het mildere klimaat maakte gebruik ervan mogelijk.

Cetti's Zanger in dichte vegetatie
De Cetti’s Zanger is tegelijk klimaatnieuwkomer en habitatvolger. Zonder zachte winters stokt zijn noordelijke opmars; zonder dicht, vochtig struweel heeft hij niets om te bezetten. Foto: Luiz Lapa, Wikimedia Commons, CC BY 2.0.

Een nieuwkomer heeft twee sleutels nodig

Ook de sterke opmars van de Roodborsttapuit past bij warmere winters en een noordwaartse uitbreiding, maar landelijk herstel van heide, extensiever grasland en ruige natuurgebieden speelde eveneens een grote rol. In Meijendel neemt de soort sinds 1984 sterk toe. Hij benut open, insectenrijk terrein met ruigte en uitkijkposten — precies het soort mozaïek dat door beheer plaatselijk is ontstaan.9

De Boomleeuwerik vertelt een vergelijkbaar waarschuwend verhaal. De soort breidde landelijk uit, maar reageerde in Meijendel ook sterk op het aanbod van zandige, halfopen overgangen. Wie iedere zuidelijke stijger tot klimaatwinnaar uitroept, ziet de helft van de causaliteit over het hoofd. Een warmer klimaat verschuift de mogelijke verspreidingsgrens; de inrichting van het duin bepaalt of een vogel die nieuwe ruimte werkelijk kan gebruiken.

De toets voor een klimaatnieuwkomer

Verschuift de soort ook landelijk of Europees noordwaarts? Past de timing bij warmere winters of voorjaren? Is in Meijendel geschikt leefgebied ontstaan? En is er een andere verklaring — beheer, successie, waterhuishouding of herstel van een landelijke populatie — die minstens zo sterk is? Pas het geheel maakt de klimaatduiding geloofwaardig.

Deel 3

De winter wordt een tussenstation

Wegtrekken is niet meer vanzelfsprekend

Een vogel hoeft zijn broedgebied niet te verleggen om op klimaatverandering te reageren. Hij kan ook dichterbij overwinteren of helemaal blijven. Zachtere winters verlagen het risico van kou en sneeuw, terwijl insecten en zachte vruchten langer beschikbaar blijven. In Europa verschoven de wintergebieden van veel soorten in noordelijke richting. Daardoor veranderen trekroutes, verblijfsduur en de samenstelling van wintergemeenschappen tegelijk.10

De wintertellingen van Meijendel omvatten 25 seizoenen vanaf 2000/01. Een analyse die zowel aantallen als trefkans modelleert, levert bij de Tjiftjaf een betrouwbaar stijgend signaal op. De geschatte winteraantallen namen gemiddeld circa 3,7 procent per jaar toe en de kans om de soort tijdens een telling aan te treffen steeg eveneens. De Winterkoning vertoonde een bescheidener maar betrouwbare toename. Voor Roodborsttapuit was de richting positief, maar de onzekerheidsmarge omvatte ook een stabiele ontwikkeling. Bij Zwartkop was geen overtuigende lokale wintertoename zichtbaar.1

Sterk lokaal wintersignaal

Tjiftjafaantal en trefkans namen in 2000/01–2024/25 toe Winterkoningkleine maar betrouwbare toename; vorstgevoelige standvogel

Nog geen hard lokaal bewijs

Roodborsttapuitpositieve richting, maar ruime onzekerheid Zwartkopgeen aantoonbare wintertoename in Meijendel Cetti’s Zangerrecente reeks; nog vooral beschrijvend

Landelijk is de Zwartkop wel een schaarse maar toenemende wintervogel, vooral in het westen. Dat verschil onderstreept waarom de lokale toets nodig is. Een overtuigend nationaal klimaatpatroon hoeft in één gebied nog niet meetbaar te zijn. Kleine aantallen, verplaatsingen tussen kavels en wisselend voedselaanbod kunnen het lokale signaal vertroebelen.11

Blijven heeft ook een prijs

Dichtbij overwinteren kan een voorsprong opleveren: wie niet uit Afrika hoeft terug te keren, kan vroeg een territorium bezetten. Maar één late vorstperiode kan juist hard toeslaan. De Cetti’s Zanger draagt die geschiedenis in Nederland met zich mee. Klimaatverandering maakt strenge winters zeldzamer, niet onmogelijk. Een populatie die door zachte jaren snel groeit, kan daardoor tegelijk kwetsbaar blijven voor een incidentele koude klap.

Deel 4

Droogte werkt via het voedselweb

Geen simpele daling van de regen

De bruikbare lokale neerslagreeks begint in mei 1972, niet in 1958. In 52 complete seizoenen van maart tot en met juli tussen 1973 en 2025 is geen overtuigende lineaire afname van de gemiddelde neerslag per dag zichtbaar; de geschatte helling is licht positief, maar statistisch onzeker. Toch waren recente voorjaren en zomers geregeld uitzonderlijk droog. Dat is geen tegenspraak. Droogte wordt niet alleen bepaald door regen, maar ook door temperatuur, zon, wind, verdamping, de verdeling van buien en de grondwaterstand. Een warmer voorjaar kan de bodem sneller uitdrogen, zelfs als de seizoenssom van de neerslag geen rechte dalende lijn vertoont.112

Het KNMI beschreef 2025 als een jaar met een zeer groot neerslagtekort, vooral in het zuidwesten. Klimaatverandering vergroot in het groeiseizoen de verdampingsvraag en daarmee de kans op droogtestress. Voor Meijendel komt daar een fijnmazige waterhuishouding bij: droge duinruggen liggen naast vochtige valleien, infiltratieplassen en plekken waar beheer de vegetatie of bodem heeft geopend. “De droogte in Meijendel” bestaat daarom niet als één uniforme toestand.13

Van plant naar insect naar vogel

Droogte kan de vogelstand via omwegen raken. Planten groeien korter of verhouten eerder; rupsen bereiken een andere piek; zachte bodemdieren zakken dieper weg; insecten kunnen kleiner worden of juist profiteren van warme kale grond. Het effect verschilt per prooi en per vogel. Een Roodborsttapuit die vanaf een tak op bovengrondse insecten jaagt, ondervindt iets anders dan een Tapuit die lopend prooien uit korte vegetatie pikt.

Onderzoek in een vergelijkbaar kustduin vond in 2018–2021 geen algemene voedselcrisis voor jonge Roodborsttapuiten. De jongen waren in goede conditie en ouders hoefden later in het seizoen niet steeds verder te vliegen. Wel veranderde de samenstelling van het insectenaanbod tussen droge en natte jaren; in de natte zomer van 2021 waren bijvoorbeeld meer sprinkhanen beschikbaar. Dat resultaat corrigeert een al te gemakkelijk droogteverhaal: voedselbeperking moet per soort, seizoen en habitat worden aangetoond.14

Bij langeafstandstrekkers komt nog een tweede landschap in beeld. Een Fitis die in Meijendel broedt, is het grootste deel van het jaar elders. Droogte in de Sahel, wind onderweg, voedsel bij tussenstops en de timing van het Europese voorjaar kunnen allemaal doorwerken in de lokale aantallen. De oude Meijendelanalyses wezen al op winterweer en omstandigheden langs de trekroute als oorzaken van jaarlijkse schommelingen. De recente afname van de Fitis — in de lokale trend sinds 1984 gemiddeld bijna drie procent per jaar — kan dus niet uit het weer in Meijendel alleen worden verklaard.515

Deel 5

Klimaat is een filter, geen eindverklaring

Drie lokale reacties, drie combinaties

De Tjiftjaf wordt eerder vastgesteld, neemt als broedvogel toe en verschijnt vaker in de winter. Dat drieluik past sterk bij een warmer klimaat, maar ook de groei van bos en struweel hielp. De Cetti’s Zanger profiteert van zachtere winters, maar kon pas landen waar vochtige, dichte vegetatie aanwezig was. De Fitis neemt af en schuift in de lokale bezoekreeks niet overtuigend naar voren, maar zijn lange trekroute en het veranderde duin maken een enkelvoudige klimaatoorzaak onhoudbaar.

Dat is de centrale les van bijna zeventig jaar tellen. Klimaatverandering werkt zelden alleen. Zij vergroot of verkleint kansen die door landschap, beheer en levenscyclus worden aangeboden. Een zuidelijke soort zonder geschikt habitat komt niet. Een bosvogel die door successie al groeit, kan door zachtere winters nog een extra zet krijgen. Een langeafstandstrekker kan in Meijendel een goed broedgebied aantreffen en toch elders in het jaar verliezen.

Wat moet voortaan samen worden gemeten?

De bestaande kracht

Territoria68 broedseizoenen, 54 kavels en 159 soorten Bezoekdatatiming en trefkans per kavel en datum Wintertellingenblijvers en veranderende wintergemeenschappen

De ontbrekende schakels

Broedsucceseileg, jongen en uitvliegsucces Voedselinsectenpieken en bereikbare prooien door het seizoen Microklimaatbodemvocht, temperatuur en vegetatiestructuur per habitat

Daarmee kan de volgende stap verder gaan dan correlaties. Schuift de eerste waarneming mee met de lokale voorjaarstemperatuur? Leidt dat ook tot vroegere eileg? Valt het voeren van jongen samen met de insectenpiek? En verschillen die relaties tussen droge ruggen, vochtige valleien, struweel en bos? Zulke koppelingen maken van een indrukwekkende telreeks een meetinstrument voor klimaatrespons.

Wie straks in maart door Meijendel loopt, zal klimaatverandering niet zien als een thermometer boven het duin. Hij hoort een verschoven vogelgemeenschap: de Tjiftjaf al vroeg, de Cetti’s Zanger luid uit een nat struweel, misschien een Roodborsttapuit die de winter niet ver weg doorbracht — en de Fitis later en minder talrijk dan vroeger. De boodschap van die stemmen is niet dat warmte alles verklaart. Zij zeggen dat de spelregels veranderen, terwijl iedere soort het spel op een ander veld en met een andere kalender speelt.

Bronnen en methode

  1. Vogelwerkgroep Meijendel. Stand database 23 juli 2026: territoriumreeks 1958–2025 (70.895 records), 7.227 BMP-bezoeken in 1984–2025, 297.092 dagwaarnemingen in 2007–2025, wintertellingen 2000/01–2024/25 en lokale weergegevens 1958–2025. De analyse van eerste vaststellingen gebruikt alleen volledige bezoeken en voldoende bemonsterde kaveljaren en corrigeert voor datum van het eerste bezoek en voor kavel. “Eerder” betekent hier eerder tijdens de telreeks vastgesteld, niet bewezen eerdere aankomst of eileg. De weeranalyse gebruikt de genormaliseerde view weer_analyse: temperatuur en neerslag van station 210 Valkenburg zijn met 10 vermenigvuldigd en die van station 215 Voorschoten door 10 gedeeld. De temperatuurtrend gebruikt 68 complete voorjaren. Voor neerslag ontbreken waarden vóór mei 1972; de trend voor maart–juli gebruikt daarom 52 complete seizoenen in 1973–2025 en sluit het onvolledige jaar 2020 uit (helling +0,03 mm per dag per decennium; 95%-interval −0,06 tot +0,12; p = 0,56).
  2. KNMI. Jaar 2025: zeer warm, zeer zonnig en droog.
  3. Sovon Vogelonderzoek Nederland (2024). Eileg en voorjaarstemperatuur.
  4. Sovon Vogelonderzoek Nederland. Tjiftjaf: verspreiding, aantallen en trend.
  5. Van den Bremer, L. e.a. (2012). De relatie tussen klimaatsverandering, timing van het broedseizoen en populatietrends van Tjiftjaf en Fitis. Sovon-rapport.
  6. Both, C. e.a. (2006). Climate change and population declines in a long-distance migratory bird. Nature 441, 81–83.
  7. Both, C. e.a. (2010). Avian population consequences of climate change are most severe for long-distance migrants in seasonal habitats. Proceedings of the Royal Society B 277, 1259–1266.
  8. Sovon Vogelonderzoek Nederland. Cetti’s Zanger: verspreiding, aantallen en trend.
  9. Sovon Vogelonderzoek Nederland. Roodborsttapuit: verspreiding, aantallen en trend.
  10. Lehikoinen, A. e.a. (2016). The impact of climate and land use on wintering bird populations in Europe. Diversity and Distributions 22, 1058–1069.
  11. Sovon Vogelonderzoek Nederland. Zwartkop: verspreiding, aantallen en trend.
  12. KNMI. Droogte: neerslagtekort, verdamping en bodemvocht.
  13. KNMI (2025). Droogte van 2025 en klimaatverandering.
  14. Van Oosten, H.H. (2021). Insecten als spil voor zangvogeldiversiteit van open droge duinen. Oenanthe Ecologie.
  15. Westgeest, J. & H. Oppentocht (2008). Vijftig jaar vogeltellingen in Meijendel: 1958 t/m 2007. Holland’s Duinen 52.
  16. Stephens, P.A. e.a. (2016). Consistent response of bird populations to climate change on two continents. Science 352, 84–87.

Lokale trends zijn vergeleken met landelijke en internationale patronen. Samenloop met temperatuur is geen bewijs van oorzaak. Waar directe gegevens over aankomst, eileg, broedsucces of voedsel ontbreken, is dat in de tekst expliciet begrensd.