Afwisselend open duin, duinvallei, water en struweel in Meijendel
Verhalen uit Meijendel

Een stukje duin dat de tijd onthoudt

Wat permanente vegetatieplots vertellen over veranderingen in Meijendel

Wie door Meijendel loopt, ziet een landschap dat voortdurend verandert. Een open zandplek raakt begroeid, laag gras maakt plaats voor ruigte en tussen struiken verschijnen jonge bomen. Zulke veranderingen gaan meestal zo langzaam dat ze tijdens één wandeling nauwelijks opvallen. Daarom keren vegetatieonderzoekers steeds terug naar exact dezelfde kleine plekken. Die permanente kwadraten vormen het geheugen van het landschap.

Deel 1

Een vaste plek als meetinstrument

Wat is een PQ?

PQ staat voor permanent kwadraat: een nauwkeurig vastgelegde plek waar onderzoekers de vegetatie steeds opnieuw beschrijven. Zij noteren welke planten, mossen en korstmossen er groeien en schatten hoeveel van het proefvlak iedere soort bedekt.

Door na een aantal jaren naar exact dezelfde plek terug te keren, ontstaat een tijdreeks. Daarmee wordt zichtbaar of soorten verschijnen of verdwijnen, of de vegetatie dichter wordt en of laag duingrasland langzaam verandert in ruigte, struweel of bos. Permanente kwadraten worden daarom ook landelijk gebruikt om veranderingen in vegetatie en natuurkwaliteit te volgen.1

Wat meet een PQ?

Soortenrijkdom: hoeveel verschillende plantentaxa zijn aangetroffen?

Bedekking: hoeveel ruimte neemt iedere soort ongeveer in?

Shannon-diversiteit: hoe gelijkmatig is de bedekking over de soorten verdeeld?

De opgetelde bedekking kan boven de honderd procent uitkomen. Planten groeien immers in lagen boven elkaar: mos op de bodem, kruiden en grassen daarboven en eventueel struiken of bomen als hoogste laag.

Meer dan vijftigduizend waarnemingen

De onderzochte gegevens zijn afkomstig uit het vegetatiemeetnet van de provincie Zuid-Holland. De Meijendeldatabase bevat 254 permanente meetplekken, 2.007 vegetatieopnamen, 714 geregistreerde taxa en ruim 53.000 waarnemingen uit 32 meetjaren tussen 1981 en 2025.2

Niet ieder PQ is elk jaar onderzocht. Het aantal bezochte meetplekken verschilt sterk per jaar. Daarom zijn geen eenvoudige jaargemiddelden vergeleken. De analyse volgt de ontwikkeling binnen hetzelfde PQ en gebruikt 1994–2025 als kernperiode.

Deel 2

Meer soorten is niet vanzelf betere natuur

Een bescheiden gebiedsgemiddelde

Over heel Meijendel nam het aantal plantensoorten binnen hetzelfde PQ gemiddeld toe met ongeveer 0,66 soort per tien jaar. Ook de opgetelde bedekking groeide, met ruim drie bedekkingspunten per tien jaar. De Shannon-diversiteit veranderde niet aantoonbaar.

Dat klinkt als vooruitgang, maar soortenrijkdom alleen is geen maat voor natuurkwaliteit. Wanneer open duingrasland langzaam dichtgroeit, kunnen er eerst juist soorten bijkomen. Tussen lage duinplanten verschijnen hogere grassen, struiken en jonge bomen. Het proefvlak wordt voller en soms soortenrijker, terwijl karakteristieke planten van open, voedselarm en kalkrijk duin terrein verliezen.

Gemiddeld per tien jaar

Soortenrijkdom
+0,66 soort
Bedekkingssom
+3,24 punten
Shannon-diversiteit
geen aantoonbare verandering

Wat dit niet automatisch betekent

Meer soorten
is niet altijd hogere natuurkwaliteit
Meer bedekking
kan ook verdichting betekenen
Gebiedsgemiddelde
verbergt plaatselijke verschillen

Winnaars en verliezers

Onder de uitbreiders staan houtige en bosgebonden soorten als eenstijlige meidoorn, wilde kardinaalsmuts, zomereik, hulst en Amerikaanse vogelkers. Ook gestreepte witbol, duinriet en enkele mossen namen toe.

Daartegenover staan afnames van planten die kenmerkend zijn voor open, droog en vaak kalkrijk duin. Zandpaardenbloem, duinreigersbek, grote tijm, veldhondstong, duinfakkelgras, kruisbladgentiaan en verschillende korstmossen uit het geslacht Cladonia verloren terrein.

Dit patroon past bij voortgaande successie en plaatselijke verdichting, maar bewijst de oorzaak daarvan niet. Weer, konijnen, stikstof, begrazing, maaibeheer, grondwater en verstuiving kunnen allemaal een rol spelen. Een PQ registreert het resultaat van die processen, niet welk proces de verandering veroorzaakte.

Deel 3

Meijendel ontwikkelt zich niet overal hetzelfde

Groei in het noorden, verlies in het westen

De ruimtelijke verschillen zijn opvallender dan het gebiedsgemiddelde. In het noordelijke derde kwamen per tien jaar gemiddeld ongeveer twee plantensoorten en bijna negen bedekkingspunten bij. In het westelijke derde gebeurde het tegenovergestelde: daar verdwenen ongeveer één soort en vijf bedekkingspunten per tien jaar. Ook de Shannon-diversiteit liep er terug.

Deze zones zijn voor de analyse als gelijke geografische delen afgebakend en zijn geen officiële beheergebieden. Het verschil is wel duidelijk genoeg om het westelijke deel als aandachtzone te beschouwen. Een gemiddelde voor heel Meijendel zou de tegengestelde ontwikkelingen vrijwel volledig verbergen.

Bos en struweel worden voller

PQ’s in bos en op kapvlakten kregen gemiddeld ongeveer 2,5 soorten en tien bedekkingspunten per tien jaar erbij. In struweel nam de bedekking met ongeveer dertien punten per tien jaar toe. Dat wijst op een vegetatie die hoger en dichter wordt.

In natte duinvalleien en bij water was de richting anders. Daar verdwenen gemiddeld ongeveer 1,3 soort en 0,09 Shannon-eenheid per tien jaar. Open duin en zeereep bleven als brede groep ongeveer stabiel in bedekking en diversiteit, maar binnen die groep gingen wel kenmerkende open-duinsoorten achteruit.

De opvallendste tegenstelling

Bos en struweel worden soortenrijker en dichter. Het westen en de natte duinvalleien verliezen juist soorten of diversiteit. Meijendel kent dus niet één vegetatieontwikkeling, maar meerdere ontwikkelingen naast elkaar.

Deel 4

Wat de planten voor vogels betekenen

Vegetatie is leefgebied, maar niet het hele leefgebied

Planten vormen de omgeving waarin vogels voedsel zoeken, zingen, schuilen en broeden. Een Nachtegaal heeft dicht struweel nodig om te nestelen, gecombineerd met geschikte plekken om voedsel te zoeken. Een Tjiftjaf kan profiteren van opgaand groen. Een Tapuit heeft juist korte vegetatie, kale zandplekjes, grote bodeminsecten en meestal een konijnenhol nodig. Kleine Karekiet en Rietzanger zijn afhankelijk van riet, terwijl spechten en Boomkruipers oude bomen nodig hebben.

Wanneer de vegetatie verandert, verschuiven dus ook de mogelijkheden voor vogels. Meer bos en struweel kan gunstig zijn voor bos- en struweelvogels en tegelijk leefgebied van open-duinspecialisten verdringen. Een extra struik biedt een Nachtegaal misschien dekking, maar helpt een Tapuit niet.

Konijnen maken die samenhang zichtbaar. Zij houden vegetatie plaatselijk kort, graven de bodem open en leveren holen waarin onder andere Tapuiten kunnen broeden. Grote grazers kunnen hoge vegetatie terugdringen, maar nemen die fijnmazige rol niet volledig over.3

De database levert geen eenvoudige vogelformule

Voor 411 combinaties van vogeltelkavel en jaar konden PQ- en broedvogelgegevens naast elkaar worden gelegd. In sommige jaren gingen veel plantensoorten binnen de onderzochte PQ’s samen met iets minder vogelsoorten in het omliggende telkavel. Dat onverwachte patroon bleek echter niet duurzaam: een jaar later was het niet meer terug te vinden.

Ook het totale aantal vogelterritoria en afzonderlijke vogelgroepen vertoonden geen vergelijkbaar verband. De gegevens leveren daarom geen aanwijzing dat meer plantensoorten tot minder vogels leiden. Waarschijnlijk spelen het schaalverschil tussen een klein PQ en een groot vogeltelkavel en andere lokale omstandigheden een belangrijke rol.

Wat we wel en niet kunnen zeggen

Wel: veranderingen in vegetatiestructuur verschuiven het beschikbare leefgebied voor verschillende vogels.

Niet: een verandering in één PQ verklaart rechtstreeks de vogelstand van het omliggende telkavel.

Ook een afzonderlijke studie van 25 vogeltelkavels laat zien waarom voorzichtigheid nodig is. Tussen 2001 en 2022 werd dat deel van Meijendel opener, terwijl het totale aantal broedvogels met ongeveer een kwart afnam. Struweelvogels verloren door het verdwijnen van hoge vegetatie. Vogels van lage vegetatie profiteerden als groep niet aantoonbaar van het grotere open oppervlak.4

Een plek kan op een kaart open duin zijn en toch belangrijke onderdelen missen: grote insecten, konijnenholen, kleine hoogteverschillen, kaal zand, rust of verbinding met andere populaties. Herstel van vegetatiestructuur kan daardoor sneller verlopen dan herstel van een compleet voedselweb.

Deel 5

Kleine plekken, grote waarschuwingen

De kracht van PQ’s ligt niet in een snelle beoordeling met één cijfer. Hun waarde ontstaat doordat onderzoekers tientallen jaren naar dezelfde plekken terugkeren.

De meetreeks laat zien dat Meijendel gemiddeld soortenrijker en dichter begroeid wordt, maar vooral dat de verschillen binnen het gebied groot zijn. Bos en struweel worden voller. In het westen en in natte duinvalleien gaan soorten en diversiteit juist achteruit. Kenmerkende planten van open duin verliezen op verschillende plaatsen terrein.

Voor vogels betekent dit dat niet alleen de hoeveelheid vegetatie van belang is, maar vooral de structuur, samenstelling en samenhang met voedsel, nestplaatsen en rust. Daarom moeten vegetatie- en vogeltellingen naast elkaar worden gelezen, zonder te doen alsof de ene reeks de andere eenvoudig verklaart.

PQ’s vertellen dus niet alleen of Meijendel groener wordt. Ze laten zien welk Meijendel ontstaat – en welke planten en vogels daarin ruimte winnen of verliezen.

Lees ook Steeds meer van hetzelfde, Wie houdt het duin open? en Het duin werd opener – waarom kwamen de vogels niet terug?.

Bronnen en verantwoording

  1. BIJ12. Procesindicatoren. Permanente kwadraten als methode voor vegetatiemonitoring.
  2. Provincie Zuid-Holland. Vegetatiemeetnet – permanente kwadraten (PQ), meetlocaties vanaf 1960; actuele Meijendeldatabase, voorlopige levering van 17 juli 2026; eigen analyse van 254 PQ’s en 2.007 opnamen.
  3. Van der Hagen, H.G.J.M. (2022). Rabbits Rule: Evaluating livestock grazing in coastal sand dunes of Meijendel, the Netherlands. Proefschrift, Wageningen University.
  4. Schmidt-Tauscher, S., A. Häger & H.G.J.M. van der Hagen (2025). Changes in land cover and bird community composition in a Dutch coastal dune landscape – a two-decade analysis. Biodiversity and Conservation 34, 4715–4743.
  5. Langbroek, W. (2015). Vegetatieveranderingen in Meijendel aan de hand van Schierbeek’s permanente quadraten. Holland’s Duinen 65, 38–42.
  6. Bakker, T.W.M. (1993). Veertig jaar natuurbeheer in Meijendel; Van Oosten, H.H. (2016), Limitaties voor insectivore vogels in het duinvoedselweb – Vooronderzoek 2016 Meijendel.

De PQ-bron heeft nog de status voorlopig. Taxonomische koppelingen en enkele broncodes wachten op controle. Trends zijn daarom binnen hetzelfde PQ berekend en soortsignalen worden als patroon gebruikt, niet als formele kwaliteitsbeoordeling of bewijs voor één oorzaak.