Terug naar vogelgroepen

H2110 – Embryonale wandelende duinen

Deze groepspagina hoort bij Habitat groepen (Natura 2000).

Jong duin in voortdurende beweging

Embryonale wandelende duinen zijn de eerste lage duintjes die op het strand en aan de voet van de zeereep ontstaan. Biestarwegras houdt stuivend zand vast, waarna jonge duinrichels kunnen aangroeien. Ligging en oppervlakte veranderen voortdurend door storm, aanstuiving, afslag en de overgang naar witte duinen. Volgens de nieuwste habitatkartering ligt in Meijendel ongeveer 10,3 hectare H2110; voor Meijendel en Berkheide samen is dat circa 16 hectare. De vegetatiekwaliteit is daarbij als goed beoordeeld. Profiel H2110

De vogelgroep

De Meijendel-groep omvat Bontbekplevier, Dwergstern, Graspieper, Noordse Stern, Strandplevier en Tapuit. Bontbekplevier, Dwergstern, Noordse Stern en Strandplevier zijn sterk aan dit milieu gekoppeld; Graspieper en Tapuit hebben een bredere binding met open duin.

Dit is een bredere ecologische vogelgroep dan de officiële beoordeling van het habitattype. Daarin geldt alleen de Strandplevier als typische soort van H2110.

Ontwikkeling in Meijendel

De dichtheid van deze groep bereikte in 1981 een maximum van 9,6 territoria per km²: 183 territoria, waarvan 137 van de Tapuit. Daarna volgde een sterke afname. In 2010 resteerden 17 territoria, allemaal van de Graspieper.

Sinds 2015 stijgt de groepsgrafiek weer, van 29 naar 60 territoria in 2025. Dat is echter geen breed herstel van de vogelgroep: in 2025 ging het om 59 Graspiepers en één Tapuit. Van Dwergstern, Noordse Stern en Strandplevier zijn in de Meijendel-database geen territoria geregistreerd; van de Bontbekplevier alleen één territorium in 1972.

De historische afname van de groep wordt dus vooral bepaald door het vrijwel verdwijnen van de Tapuit. De recente stijging komt vrijwel volledig voor rekening van de Graspieper.

Vergelijking met Nederland

De ontwikkelingen verschillen per soort. De plaatselijke toename van de Graspieper sinds 2015 past bij de recente landelijke toename, hoewel er landelijk sinds 1990 geen overtuigende verandering over de gehele periode is vastgesteld. Sovon – Graspieper

Bij de Tapuit sluit de ontwikkeling in Meijendel aan bij de sterke landelijke achteruitgang. De soort is tegenwoordig grotendeels beperkt tot enkele noordelijke duingebieden. In afgesloten delen van die duinen worden hogere dichtheden gevonden dan in opengestelde delen. Sovon – Tapuit

Andere landelijke ontwikkelingen vertalen zich niet automatisch naar Meijendel. Zo nam de Dwergstern landelijk toe, maar leverde dat in Meijendel nog geen geregistreerde broedterritoria op. Strandplevier en Noordse Stern liggen landelijk nog ruim onder het niveau van 1990 en ontbreken ook plaatselijk als territoriumhoudende broedvogel.

Habitat, toegankelijkheid en rust

De H2110-kartering uit 2014 overlapt in de database met zeven vogeltelplots. Daarvan zijn er volgens de huidige indeling twee afgesloten, één vrij toegankelijk en vier deels beperkt en deels vrij toegankelijk. Deze indeling geldt voor het gehele telplot en zegt niet precies welk deel van het H2110-habitat toegankelijk is.

Belangrijker is daarom de conclusie uit de recente beheerplanevaluatie: ondanks de goede vegetatiekwaliteit en de toegenomen oppervlakte is er nog niet in voldoende delen van het habitattype rust. Juist voor strandbroeders zoals de Strandplevier kan verstoring op het strand de vestigingsmogelijkheden beperken. Het gebied ligt bovendien buiten het huidige landelijke zwaartepunt van deze soort.

De vijf in 2015 aangelegde kerven hebben de verstuiving door de zeereep hersteld. Zij vergroten de natuurlijke dynamiek, maar open zand rond een kerf behoort niet automatisch tot H2110; door successie kan het habitattype bovendien overgaan in andere duinhabitats. Dunea – Dynamiek in het duin

Methodische kanttekening

De grafiek telt per jaar alle territoria van de zes geselecteerde soorten op en deelt deze door de totale oppervlakte van de in dat jaar onderzochte Meijendel-plots. Het is dus een dichtheid per onderzocht gebied, niet het aantal vogels dat daadwerkelijk binnen H2110 broedt en ook geen officiële kwaliteitsindex voor dit habitattype.

De uitbreiding van het onderzoeksgebied in 1973 en de invoering van de BMP-methode in 1984 kunnen verschillen tussen perioden beïnvloeden. Ook kan één algemene soort de gezamenlijke grafiek gaan bepalen, zoals nu bij de Graspieper gebeurt. Landelijke ontwikkelingen worden daarom per soort vergeleken. Habitat, toegankelijkheid, vegetatie en vogels zijn bovendien op verschillende schaal en in verschillende jaren gemeten. We beschrijven daarom samenhangende ontwikkelingen, zonder daaruit rechtstreeks oorzaak en gevolg af te leiden.

Meer weten?