De terugkeer van de nacht
Nachtzwaluw, uilen en andere vogels die tellers nauwelijks zien
P. Taszynski · Wikimedia Commons · CC BY-SA 3.0Om 22.30 uur, op 22 juni 2024, veranderde een gewone BMP-ronde in iets uitzonderlijks. Boven een kavel in Meijendel vlogen maximaal twee Nachtzwaluwen. Eén vogel ratelde en baltsde. De soort was eerder incidenteel als territoriumhouder geregistreerd, maar nu leek zij opnieuw aan de deur te kloppen. Een jaar later bevatte de database voor het eerst drie territoria in drie verschillende kavels. De terugkeer voltrok zich niet voor het oog, maar in het donker — en vooral via het oor.
Deel 1
Als het dagkoor zwijgt
Een tweede vogelwereld
Een broedvogeltelling begint meestal vroeg. De teller loopt een vaste route terwijl Merel, Tjiftjaf en Vink hun aanwezigheid luid bekendmaken. Rond zonsopkomst is de zangactiviteit van veel soorten het grootst. Dat maakt de ochtend efficiënt, maar ook selectief. Wie alleen in dat venster kijkt en luistert, bemonstert niet alle vogels onder dezelfde omstandigheden. Zodra het licht verdwijnt, worden andere soorten actief: uilen roepen, Houtsnippen vliegen hun baltsbanen, rallen antwoorden vanuit het riet en de Nachtzwaluw laat zijn lange, mechanische ratel horen.1
De bezoekgegevens van Meijendel maken die scheve tijdsverdeling zichtbaar. De database bevat 7.227 gedateerde BMP-bezoeken tussen 1984 en 2025. Daarvan begon 80,1 procent tussen 05.00 en 10.00 uur. Slechts 412 bezoeken, 5,7 procent, startten om 18.00 uur of later; nog eens 857 begonnen vóór 05.00 uur, vaak in of vlak voor de ochtendschemer. Dat is geen tekortkoming van het meetnet. Het is de logica van de standaardmethode: de meeste broedvogels worden ’s ochtends het best gevonden, terwijl voor een kleinere groep aparte avond- en nachtbezoeken nodig zijn.2
Het gewone venster
05.00–10.00 uur5.792 van de 7.227 geregistreerde bezoeken Sterk voorde meeste zingende zangvogels rond zonsopkomst Risicostilte kan bij nachtsoorten ten onrechte op afwezigheid lijkenHet donkere venster
AvondNachtzwaluw, Houtsnip en Kwartel vragen gerichte aandacht Nachtuilen, rallen, Kwartelkoning en Roerdomp zijn dan beter hoorbaar Voorwaardejaarlijks dezelfde inspanning, anders verandert de trefkans meeHoren is waarnemen
In het donker verschuift ook de betekenis van een waarneming. Een zichtwaarneming is mooi, maar zelden noodzakelijk. Een Bosuil hoeft niet door een lichtbundel te vliegen; zijn roep kan voldoende zijn. Bij een Ransuil zijn soms juist de piepende, pas uitgevlogen jongen de beste aanwijzing. Een Waterral blijft onzichtbaar tussen rietstengels, maar verraadt zich met een roep. Het geluid is geen surrogaat voor het “echte” dier. Voor territoriumkartering is het vaak het belangrijkste meetinstrument.
Dat instrument heeft beperkingen. Een stille vogel kan aanwezig zijn, één luid individu kan vanaf verschillende zangposten worden gehoord en een vogel kan op afgespeeld geluid naar de teller toe komen. Daarom legt de BMP-methode per soort vast wanneer een waarneming geldig is, welke afstand tussen waarnemingen telt en hoeveel registraties nodig zijn. Niet het volume van de nacht, maar de combinatie van tijd, plaats, gedrag en herhaling bepaalt uiteindelijk het territorium.1
Deel 2
De Nachtzwaluw klopt opnieuw aan
Een ratel boven het duin
De naam Nachtzwaluw zet de fantasie op het verkeerde been. De vogel is geen zwaluw, maar een grondbroeder van halfopen, zandige landschappen. Overdag vertrouwt hij op een verenkleed dat oplost in takken, schors en strooisel. In de schemer jaagt hij op vliegende insecten. Het mannetje kondigt zich aan met een ratel die minutenlang kan doorgaan, afgewisseld met roepen en soms vleugelklappen. In Nederland begint de avondzang doorgaans tien tot zeventig minuten na zonsondergang. Rustig, zacht weer helpt; kou, regen en wind kunnen de activiteit drukken.3
Geen rechte terugkeerlijn
De lange Meijendelreeks bevat losse voorlopers: één territorium in 1983 en 1984, vervolgens in 2002, 2003 en 2004, en opnieuw in 2008. Daarna bleef het lang stil. In 2022 werd weer één territorium geregistreerd. De waarneming van 2024 in kavel 71 — maximaal twee vogels, waarvan één zingend en baltsend — bracht Frans Hooijmans ertoe voorzichtig te spreken over een mogelijke beginnende kolonisatie. De meeste andere Nederlandse duingebieden waren toen al bereikt.4
De cijfers van 2025 versterken dat vermoeden. Voor het eerst staan drie territoria in één jaar geregistreerd, verspreid over drie kavels. Toch is “gevestigd” nog geen eindconclusie. De reeks telt sinds 1958 slechts negen jaren met een positief aantal en in totaal elf geregistreerde territoria. Drie in één seizoen is een sprong, geen trend. Pas herhaalde bezetting, met vergelijkbare nachtelijke zoekinspanning, laat zien of Meijendel werkelijk een kleine broedpopulatie krijgt.
De onderliggende dagwaarnemingen laten bovendien zien hoe bepalend het tijdstip is. Vier van de vijf digitaal beschikbare Nachtzwaluwregistraties horen bij bezoeken die na 18.00 uur of vóór 05.00 uur begonnen. Bij de vijfde staat in het opmerkingenveld expliciet: “tijdens aanvullend nachtbezoek”. Zonder die gerichte uren was een deel van het verhaal waarschijnlijk ongeschreven gebleven.
Een landelijke golf bereikt de kust
De lokale ontwikkeling staat niet op zichzelf. Landelijk nam de Nachtzwaluw in de tweede helft van de twintigste eeuw eerst sterk af door het verdwijnen en dichtgroeien van broedgebied. Daarna herstelde de populatie spectaculair. Sovon schatte voor 2018–2020 ongeveer 3.000 tot 4.100 broedparen. Heideherstel, selectieve boskap en nieuwe halfopen overgangen vergrootten het beschikbare leefgebied; vanuit de kerngebieden op de hogere zandgronden werden ook kustduinen opnieuw bezet.35
Dat maakt de komst naar Meijendel ecologisch aannemelijk, maar verklaart haar niet met één oorzaak. De vogel heeft kale of schaars begroeide nestplekken nodig, dekking in de omgeving en voldoende nachtvlinders en andere vliegende insecten. Open duin alleen is niet genoeg, gesloten struweel evenmin. Juist de randen tussen open zand, lage vegetatie, struweel en bos kunnen aantrekkelijk zijn. De terugkeer is daarom zowel een verhaal van landelijk populatieherstel als van een landschap waarin geschikte overgangen opnieuw vindbaar zijn.
Deel 3
Uilen bestaan eerst als geluid
De Bosuil: dichtbij en toch onzichtbaar
De Bosuil is al een halve eeuw een vaste broedvogel van Meijendel. De territoriumreeks begint in 1973 en bevat positieve aantallen in vijftig jaren; in 2022–2025 werden achtereenvolgens negen, negen, tien en zeven territoria geregistreerd. Dat lijkt solide kennis. Toch laat de digitale veldlaag zien hoeveel daarvan van het juiste tijdstip afhangt. Van 137 Bosuilregistraties sinds 2009 viel 54 procent op een bezoek dat na 18.00 uur of vóór 05.00 uur begon.
De roepactiviteit is het grootst van de late avondschemer tot het begin van de nacht. Nabootsen van de baltsroep kan een reactie uitlokken, maar verandert tegelijk de trefkans en kan een vogel honderden meters naar het geluid laten bewegen. Daarom moet de teller direct stoppen bij een reactie en het gebruik noteren. Een stip op de kaart is anders niet alleen een reactie van de uil op zijn omgeving, maar ook op de onderzoeker.6
De Ransuil: luisteren naar de jongen
De Ransuil is nog lastiger. Het mannetje heeft een onopvallende baltsroep; later in het seizoen zijn de aanhoudend bedelende jongen vaak beter te vinden dan de volwassen vogels. In Meijendel zijn sinds 1958 in 45 jaren territoria geregistreerd, maar de aantallen bleven meestal laag. In 2024 waren er twee territoria. In 2025 werd wel een volwassen vogel ingevoerd, maar leverde de uiteindelijke territoriumtabel geen territorium op. Dat verschil is betekenisvol: een waarneming bewijst aanwezigheid op een moment, niet automatisch broeden volgens de geldende criteria.
Ook landelijk is voorzichtigheid nodig. De Ransuil neemt sinds 1990 significant af en zijn staat van instandhouding geldt als zeer ongunstig. Een gemiste roep kan dus zowel een methodisch probleem zijn als echte schaarste weerspiegelen. Alleen een jaarlijks vergelijkbaar nachtprogramma kan die twee uit elkaar houden.7
De Kerkuil: sporen rond een gebouw
De Kerkuil laat nog een ander telprobleem zien. Hij jaagt ’s nachts vaak ver van zijn nestplaats. Een overvliegende of jagende vogel zegt weinig over de locatie van een broedgeval. Betrouwbare aanwijzingen komen van krijsende vogels, bedelende jongen, uitvliegende ouders, braakballen, poepsporen en controles van geschikte gebouwen of nestkasten. In Meijendel verschijnt de soort pas vanaf 2016 in de territoriumreeks. In 2023 werden twee en in 2024 en 2025 drie territoria geregistreerd. Een deel van die kennis komt niet uit een gewone loopronde, maar uit camerabeelden en bekende broedplaatsen.8
Wat is er eigenlijk geteld?Een gehoord individu, een geldige territoriale waarneming en een berekend territorium zijn drie verschillende dingen. Bij nachtsoorten wordt dat onderscheid extra belangrijk, omdat trefkans, reactie op geluid, grote actieradius en verborgen nestplaatsen sterk per soort verschillen.
Deel 4
De Houtsnip leert ons tellen
Dertien na één andere methode
In het jaarverslag over 1975 staat een klein zinnetje met grote gevolgen: voor het eerst werd speciale aandacht besteed aan de Houtsnip. R.M. Wanders en F.R.M. Naber organiseerden aparte nachttellingen en verzamelden aanvullende meldingen van kavelhouders. Het resultaat voor het toenmalige A-gebied was dertien territoria, tegenover drie in 1974 en twee in 1973. Het ligt voor de hand om daarin een explosieve toename te zien. Waarschijnlijk veranderde vooral het onderzoek.9
Die historische sprong is een bijna perfecte demonstratie van detectiekans. Een nieuwe telinspanning kan een verborgen populatie plotseling zichtbaar maken zonder dat er in het veld evenveel vogels zijn bijgekomen. Wie zo’n methodebreuk als biologische trend leest, verwart beter kijken met meer vogels.
Een baltsbaan is geen territoriumgrens
De Houtsnip maakt het nog ingewikkelder. Mannetjes vliegen in de schemer grote baltsrondes die tientallen tot meer dan honderd hectare kunnen beslaan. Ze kunnen meerdere vrouwtjes bezoeken; de paarband houdt maar kort stand. Twee registraties kunnen dus hetzelfde rondvliegende mannetje betreffen, terwijl het aantal mannetjes weinig zegt over het aantal broedende vrouwtjes. Sovon adviseert in grotere gebieden simultaantellingen vanaf vaste punten, met exact tijdstip, vliegrichting en geluid. Zelfs dan blijft de uitkomst een best mogelijke benadering, geen absoluut aantal broedparen.10
Dat verklaart de onzekerheid in recente Meijendelcijfers. De database bevat 430 opgetelde territoriumregistraties in 58 positieve jaren sinds 1965. In 2023 werden zes, in 2024 acht en in 2025 vier BMP-territoria geregistreerd. Na een ruimtelijke correctie voor mogelijke dubbeltellingen bleven in het jaarverslag over 2024 van de acht nog ongeveer vier veronderstelde werkelijke eenheden over. Het veiligste oordeel is niet dat de populatie exact vier of acht bedroeg, maar dat de Houtsnip een vaste broedvogel in laag aantal is.4
Riet dat terugroept
Dezelfde les geldt langs het water. Waterral en Roerdomp laten zich vaker horen dan zien. De BMP-handleiding verlangt voor zulke soorten nachtbezoeken, omdat de gewone ochtendronde hun aanwezigheid onvolledig kan vastleggen. Afgespeeld geluid kan een Waterral tot roepen brengen, maar de reactie is onvoorspelbaar en een vogel kan naar de bron toe bewegen. Geluid vergroot dus informatie én verantwoordelijkheid: kort gebruiken, stoppen bij reactie en altijd registreren dat de methode de trefkans heeft beïnvloed.111
Deel 5
Een luisterend meetnet
De recorder hoeft niet naar huis
Een teller kan niet wekenlang iedere nacht in hetzelfde kavel staan. Een autonome geluidsrecorder kan dat wel. Zo’n apparaat legt op vaste tijden het klanklandschap vast en maakt het mogelijk om stille nachten, korte roepvensters en weersafhankelijke activiteit systematisch te bemonsteren. Onderzoek met 150 recorders in Amerikaanse uilenbossen liet zien dat passieve akoestiek uilen gedurende een heel seizoen effectief kan detecteren en informatie kan geven over bezette gebieden.12
Voor Meijendel zou een bescheiden proef al veel kunnen leren. Plaats recorders in en rond de kavels met recente Nachtzwaluwen, plus vergelijkbare kavels zonder geregistreerd territorium. Laat ze in mei, juni en juli volgens hetzelfde schema opnemen rond avond- en ochtendschemer. Koppel de opnamen aan temperatuur, wind en regen en laat tellers tegelijk enkele klassieke nachtbezoeken uitvoeren. Dan wordt niet alleen duidelijk waar een soort roept, maar ook hoeveel extra detecties een recorder oplevert boven de bestaande methode.
Een algoritme hoort nog geen territorium
Automatische herkenning kan duizenden uren geluid voorselecteren, maar mag de ornitholoog niet vervangen. Evaluaties van BirdNET vonden sterk wisselende prestaties per soort. Een lage herkenningsdrempel mist minder geluiden maar produceert meer foutmeldingen; een hoge drempel doet het omgekeerde. In gepubliceerde tests varieerden zowel precisie als het aandeel werkelijk gevonden roepen sterk. Zonder soortspecifieke validatie kan een algoritme een vreemd geluid tot zeldzame vogel promoveren of juist een zachte echte roep overslaan.1314
Wat recorders toevoegen
Continuïteitdezelfde uren, nachten en locaties worden herhaald bemonsterd Archiefeen twijfelachtige roep kan later opnieuw worden beluisterd Trefkansook korte of weersafhankelijke roepvensters komen in beeldWaarom de teller blijft
Validatiesoftwareherkenningen moeten per soort worden gecontroleerd Ruimteéén microfoon bepaalt niet vanzelf hoeveel individuen roepen Gedragvluchtrichting, interactie en habitat vragen veldkennisDe nacht is geen lege plek
De bijna zeventigjarige Meijendelreeks is sterk omdat generaties tellers hetzelfde landschap bleven bezoeken. Het nachtelijke deel van dat landschap herinnert ons eraan dat continuïteit niet hetzelfde is als volledigheid. Iedere methode heeft een venster. Buiten dat venster kunnen vogels werkelijk ontbreken, stil blijven of eenvoudig nog niet zijn gezocht.
De drie Nachtzwaluwterritoria van 2025 zijn daarom meer dan een nieuw record en minder dan definitief bewijs van terugkeer. Ze zijn een uitnodiging om de komende jaren op hetzelfde uur, met dezelfde aandacht en dezelfde terughoudendheid opnieuw te luisteren. Misschien wordt de ratel een vaste zomerstem. Misschien blijkt 2025 een korte opleving. Het antwoord ligt niet klaar in het donker. Het moet er zorgvuldig uit worden gehoord.
Bronnen en methode
Waar dit verhaal op rust
- Sovon Vogelonderzoek Nederland (2024). Handleiding Sovon Broedvogelmonitoring: BMP en kolonievogels. De handleiding onderscheidt bezoeken rond zonsopgang, overdag, in de avond en in de nacht en noemt de soortgroepen waarvoor aanvullende donkere bezoeken nodig zijn.
- Meijendel-database, tabellen dagbezoeken_bmp, dagwaarnemingen_bmp, territoria, soorten en plots; lokale analyse op 23 juli 2026. De bezoekanalyse omvat 7.227 bezoeken uit 1984–2025. “Na 18.00 uur of vóór 05.00 uur” is uitsluitend een transparante selectie op geregistreerde begintijd, niet een astronomische definitie van nacht. Bezoeknotities zijn afzonderlijk gecontroleerd.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Nachtzwaluw: verspreiding, trends en telrichtlijnen. Geraadpleegd 23 juli 2026.
- Hooijmans, F. (2025). Broedvogelmonitoring Meijendel 2024. Holland’s Duinen 86: 60–83.
- Boele, A. e.a. (2024). Broedvogels in Nederland in 2023. Sovon-rapport 2024/40.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Bosuil: telrichtlijnen. Geraadpleegd 23 juli 2026.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Ransuil: verspreiding, trends en telrichtlijnen. Geraadpleegd 23 juli 2026.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Kerkuil: verspreiding en telrichtlijnen. Geraadpleegd 23 juli 2026.
- Regensburg, B.A. & E.A.J. Wanders (1976). Vogelpopulatieonderzoek – rapport 1975. Meijendel Mededelingen. Lokaal exemplaar in het onderzoeksarchief op de iMac.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Houtsnip: telrichtlijnen en inventarisatieproblemen. Geraadpleegd 23 juli 2026.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Waterral: telrichtlijnen. Geraadpleegd 23 juli 2026.
- Duchac, L.S., D.B. Lesmeister, K.M. Dugger, Z.J. Ruff & R.J. Davis (2020). Passive acoustic monitoring effectively detects Northern Spotted Owls and Barred Owls over a range of forest conditions. The Condor 122: duaa017.
- Pérez-Granados, C. (2023). BirdNET: applications, performance, pitfalls and future opportunities. Ibis 165: 1068–1075.
- Cretois, B. e.a. (2026). TABMON: design and deployment of a transnational passive acoustic monitoring network for European birds. Methods in Ecology and Evolution.
Datakanttekening. De territoriumtabel bevat de jaarlijkse, door tellers geaccordeerde BMP-uitkomsten per kavel. De digitale dagwaarnemingen zijn vooral vanaf 2007–2009 volledig beschikbaar en kunnen daarom niet worden gebruikt om de detectiekans over de hele periode sinds 1958 te reconstrueren. Sommen over kavels kunnen bovendien territoria aan weerszijden van kavelgrenzen dubbel bevatten. In dit verhaal worden zulke aantallen alleen beschrijvend gebruikt; er is geen nieuwe populatietrend uit afgeleid.