Wat het broedvogelrapport 2025 over Meijendel vertelt
Sovons nieuwste landelijke cijfers als spiegel voor bijna zeventig jaar tellingen
Dit verhaal is geschreven naar aanleiding van de publicatie van Sovons rapport Broedvogels in Nederland in 2025. Het rapport laat zien welke broedvogels landelijk winnen en verliezen. Door die uitkomsten naast bijna zeventig jaar tellingen in Meijendel te leggen, wordt zichtbaar waar het duingebied de landelijke ontwikkeling volgt — en waar juist niet. Vooral die afwijkingen zijn waardevol: ze wijzen op kansen en knelpunten die specifiek kunnen zijn voor Meijendel.
Deel 1
Tweehonderd soorten, twee schaalniveaus
Een landelijk ijkpunt
Sovon beschrijft in het nieuwe rapport de ontwikkeling van 200 Nederlandse broedvogelsoorten. Over de lange termijn — meestal 1990–2025 — namen 99 soorten toe en 85 soorten af. In de recente periode 2014–2025 waren er 85 stijgers en 58 dalers. Voor 30 soorten bereikte de landelijke index in 2025 het hoogste niveau van de meetreeks; voor 32 soorten juist het laagste.1
Het voorjaar van 2025 was uitzonderlijk warm, zonnig en droog. Dat kan het broedsucces en de aantallen van sommige moerasvogels in dat ene jaar hebben beïnvloed. Zo'n voorjaar verklaart echter geen ontwikkelingen die al tientallen jaren duren. Daarvoor moeten ook veranderingen in leefgebied, voedsel, trekgebieden, predatie, klimaat en beheer worden meegewogen.
Een spiegel, geen ranglijst
De landelijke en lokale cijfers zijn niet één op één vergelijkbaar. Sovon berekent gewogen landelijke trends uit telgebieden in heel Nederland. In Meijendel worden territoria per kavel gevolgd en worden langjarige trends gecorrigeerd voor het daadwerkelijk onderzochte oppervlak.2 De richting van de ontwikkeling kan goed worden vergeleken, maar een landelijk indexcijfer is iets anders dan een lokale dichtheid.
Zo lezen we de vergelijkingEen soort die landelijk én lokaal afneemt, ondervindt waarschijnlijk meer dan alleen een plaatselijk probleem. Een landelijke stijger die in Meijendel daalt, maakt een lokale beperking aannemelijker. Dat is een aanwijzing voor nader onderzoek, geen automatisch bewijs van één oorzaak.
Deel 2
Waar Meijendel de landelijke trend versterkt
De terugtocht uit het open duin
Bij Wulp, Tapuit, Veldleeuwerik en Scholekster wijst de pijl zowel landelijk als in Meijendel omlaag. In Meijendel is die terugval uitgesproken. Sinds 1984 namen deze soorten jaarlijks gemiddeld sterk af; Wulp en Tapuit verdwenen uit veel kavels waar zij vroeger beeldbepalend waren.12
Dat past bij een bredere crisis van vogels van open, voedselarme landschappen, maar het duin heeft zijn eigen geschiedenis. Het vastleggen van zand, stikstofdepositie, lage konijnenstanden, verruiging, recreatiedruk en predatie veranderden samen de kwaliteit van het leefgebied. Het nieuwe Natura 2000-beheerplan noemt herstel van dynamiek, grijze duinen en Tapuithabitat daarom expliciet als opgave.4
Open duin kent meer dan één winnaar
Tegelijk stijgen Boomleeuwerik en Roodborsttapuit landelijk én in Meijendel. Dat maakt duidelijk dat “de open-duinvogels” geen eenvormige groep zijn. Een Boomleeuwerik gebruikt een mozaïek van open bodem, lage begroeiing en opslag. Een Tapuit is veel sterker afhankelijk van zeer korte, insectenrijke vegetatie, konijnenholen en voldoende rust.
Onderzoek in 25 Meijendelse telkavels liet zien dat tussen 1997 en 2022 het open oppervlak toenam, terwijl de totale vogelstand met ongeveer 25% afnam. Vogels van struweel en bos liepen terug met het verlies van hoge vegetatie, maar soorten van lage begroeiing keerden niet vanzelf terug.3 Dat bewijst niet dat natuurherstel de afname veroorzaakte. Het laat wel zien dat meer hectares open landschap niet automatisch hetzelfde zijn als meer geschikt vogelhabitat. Voedsel, structuur, verbinding met bronpopulaties en tijd zijn minstens zo belangrijk.
Deel 3
Tegen de landelijke stroom in
De Nachtegaal als waarschuwing
De opvallendste afwijking is de Nachtegaal. Landelijk is de soort sinds 1990 toegenomen. In Meijendel is de lange reeks vanaf 1958 nog licht positief, dankzij de sterke groei in de eerste decennia, maar sinds 1984 daalt de soort. De berekende lokale index voor 2025 is de laagste sinds 1990.12
Omdat de Nederlandse populatie als geheel groeit, kan de lokale afname niet eenvoudig alleen aan omstandigheden in Afrika worden toegeschreven. In Meijendel verdient vooral de kwaliteit van het broedgebied aandacht: dichte ondergroei voor het nest, open en insectenrijke plekken om voedsel te zoeken en rust tussen beide. Begrazing kan zo'n mozaïek helpen maken, maar bij te hoge of te gelijkmatige druk kan juist nestdekking verdwijnen.5
Lokale lichtpunten
Het omgekeerde komt ook voor. De Tuinfluiter en Grote Lijster nemen landelijk af, maar laten in Meijendel sinds 1984 een stijgende trend zien. Voor de Grote Lijster was de berekende lokale stand in 2025 zelfs de hoogste sinds 1990. Zulke afwijkingen zijn geen reden om achterover te leunen. Ze maken de plekken waar deze soorten standhouden juist waardevol: welke combinatie van struweel, bosrand, open gras en rust vinden zij hier nog wel?
Ook de Graspieper valt op. Landelijk is de langjarige trend stabiel, terwijl de soort in Meijendel licht toeneemt. Daartegenover staan Houtduif, Spreeuw en Ringmus, die zowel landelijk als lokaal afnemen. De Putter volgt juist aan beide kanten een sterke stijging. De vogelgemeenschap verandert dus niet in één richting; oude vertrouwde soorten verdwijnen terwijl andere de vrijgekomen ruimte of nieuwe omstandigheden benutten.
Deel 4
Water met eigen regels
Infiltratieplassen zijn geen doorsnee moeras
Bij de watervogels wijkt Meijendel geregeld van Nederland af. De Bergeend is landelijk stabiel, maar neemt lokaal sterk af. De Krakeend stijgt landelijk en daalt licht in Meijendel. Ook de Kleine karekiet is landelijk stabiel en lokaal dalend. Fuut en Slobeend gaan zowel landelijk als in Meijendel achteruit, terwijl de Rietzanger aan beide kanten toeneemt.12
Dat gemengde beeld past bij het bijzondere watersysteem van Meijendel. De infiltratieplassen zijn onderdeel van de drinkwaterwinning en veranderden door waterkwaliteit, inrichting, rietontwikkeling, begrazing en beheer. Een eerdere analyse noemt onder meer een lagere voedselrijkdom van het water, veranderde rietoevers en aantrekkelijker grote wateren in de regio als mogelijke verklaringen.3 Welke factor voor welke soort doorslaggevend is, kan uit de vogeltrends alleen niet worden afgeleid.
De droogte verklaart niet alles
In 2025 daalde de gezamenlijke dichtheid van watervogels in Meijendel met ongeveer 9% ten opzichte van 2024. De dichtheid van rietvogels steeg juist met ongeveer 9%.2 Dat sluit een effect van het droge voorjaar niet uit, maar het maakt een simpele verklaring voor alle water- en moerasvogels onwaarschijnlijk. Oeverstructuur, beschikbaarheid van voedsel en verschillen tussen soorten blijven essentieel.
Deel 5
Wat de vergelijking van het beheer vraagt
Afwijkingen zijn richtingaanwijzers
Het nieuwe Sovon-rapport levert voor Meijendel geen kant-en-klaar beheerrecept. Het helpt wel om prioriteiten scherper te stellen. Waar een soort landelijk toeneemt maar lokaal afneemt — zoals Nachtegaal en Krakeend — is het logisch eerst naar lokale knelpunten te zoeken. Waar een landelijke daler lokaal groeit — zoals Tuinfluiter en Grote Lijster — verdient het succesvolle leefgebied bescherming en nader onderzoek.
Bij soorten die overal afnemen, zoals Wulp, Tapuit en Veldleeuwerik, kan Meijendel het landelijke probleem niet alleen oplossen. Het gebied kan wel zorgen voor zo goed mogelijk leefgebied: dynamiek en open zand, konijnen en korte vegetatie, voldoende prooien, veilige nestplekken en rust. Eén winnaar, bijvoorbeeld de Boomleeuwerik, bewijst daarbij niet dat het hele open-duinsysteem is hersteld.
Kwaliteit vóór oppervlakten
De vergelijking onderstreept een terugkerende les uit het Meijendelonderzoek: beheer moet niet alleen tellen hoeveel hectare open, nat of begraasd is. Beslissend is of de juiste structuren dicht genoeg bij elkaar liggen en samen een volledig leefgebied vormen. Dat vraagt om kleinschalige overgangen, variatie in graasdruk, ruimte voor natuurlijke verstuiving, zorgvuldig water- en rietbeheer en rustige plekken.
De landelijke trend is geen norm waaraan Meijendel moet gehoorzamen. Het rapport Broedvogels in Nederland in 2025 geeft het gebied een spiegel. Juist waar Meijendel afwijkt, begint het verhaal dat alleen de langjarige tellingen van dit duingebied kunnen vertellen.
Bronnen
- Boele, A. et al. (2026). Broedvogels in Nederland in 2025. Sovon-rapport 2026/41, Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
- Vogelwerkgroep Meijendel (2026). Broedvogeldatabase Meijendel, oppervlaktegecorrigeerde TRIM-trends en dichtheden per ecologische vogelgroep; tellingen 1958–2025.
- Schmidt-Tauscher, S., A. Häger & H.G.J.M. van der Hagen (2025). Changes in land cover and bird community composition in a Dutch coastal dune landscape – a two-decade study. Biodiversity and Conservation 34, 4715–4743.
- Provincie Zuid-Holland (2026). Natura 2000-beheerplan Meijendel & Berkheide 2026–2032.
- Van Oosten, H. (2025). Een verkenning van relaties tussen Nachtegalen en beheer in Meijendel. Holland's Duinen 86, 44–48.
- Van der Hagen, H.G.J.M. (2022). Rabbits Rule: Evaluating livestock grazing in coastal sand dunes of Meijendel, the Netherlands. Proefschrift, Wageningen University.
- Aggenbach, C., M. Nijssen, A. Kooijman, B. Arens, Y. Fujita & M. van Til (2020). Kleinschalige verstuivingen in kustduinen (1): effecten op vegetatie en fauna van duingraslanden. De Levende Natuur 121(2), 48–53.