De stem die uit het riet verdween
Wat 68 jaar vogeltellingen vertellen over de Grote Karekiet in Meijendel
Andreas Trepte · Wikimedia Commons · CC BY-SA 2.5Een Grote Karekiet is niet gemakkelijk over het hoofd te horen. Zijn zware, krassende zang draagt ver over het water. Toch werd het na 2011 stil in de broedvogeltellingen van Meijendel. In 2025 dook de soort weer op, maar een territorium werd het niet. De schaarse meldingen uit 68 broedseizoenen vertellen daardoor niet alleen een verhaal over een verdwenen vogel, maar vooral over de bijzondere eisen die hij aan riet, water en beheer stelt.
Deel 1
Een stem die boven het riet uitkomt
De grootste van de karekieten
De Grote Karekiet is bijna zo groot als een spreeuw en duidelijk forser dan de veel algemenere Kleine Karekiet. In het voorjaar zingt het mannetje vanaf een hoge rietstengel. Het rauwe karre-karre-kiet-kiet verraadt vaak eerder zijn aanwezigheid dan een glimp tussen de halmen.
Die opvallende zang maskeert een kwetsbare leefwijze. De vogel bouwt zijn nest boven water tussen enkele stevige rietstengels. Hij zoekt voedsel in brede rietkragen, langs open water en in de aangrenzende vegetatie. Voor een broedterritorium is daarom meer nodig dan een smalle groene rand op de kaart: oud en vitaal waterriet, voldoende dikke stengels, de juiste waterdiepte, insecten en rust moeten op dezelfde plek samenkomen.46
Meijendel ligt buiten het bolwerk
De Nederlandse kerngebieden liggen in het laagveen- en rivierengebied, vooral rond de noordelijke Randmeren en in delen van Overijssel en Friesland. De infiltratieplassen van Meijendel liggen aan de rand van dat verspreidingsgebied. De Grote Karekiet was hier dan ook nooit een talrijke broedvogel. Juist daardoor is iedere goed gedocumenteerde vestiging waardevol.
Deel 2
Elf territoria in bijna zeventig jaar
Een onregelmatige gast
De broedvogeldatabase van Vogelwerkgroep Meijendel omvat 68 broedseizoenen, van 1958 tot en met 2025. In die hele reeks staan tien territoriumregels van de Grote Karekiet, samen goed voor elf territoria in negen jaren. De eerste verscheen in 1976. Daarna volgden territoria in 1986, 1988, 1990, 1991, 1994, 1997, 2001 en 2011. Alleen in 1990 en 1994 werden er twee in één seizoen vastgesteld.1
De lokale reeks in één oogopslag
- 1958–2025
- 68 broedseizoenen onderzocht
- 9 jaren
- met ten minste één territorium
- 11 territoria
- in de volledige reeks
- 2011
- het laatste vastgestelde territorium
Dat lage aantal vraagt om terughoudendheid. Er is geen doorlopende lokale populatie waarvan een keurige trend kan worden berekend. Het patroon lijkt meer op herhaalde, kortdurende vestiging door vogels uit de wijdere Nederlandse populatie. Het territorium van 2011 betrof waarschijnlijk een zingend, ongepaard mannetje. Een territorium is bovendien geen bewijs voor een nest of uitgevlogen jongen.3
De stilte na 2011
Van 2012 tot en met 2025 werd geen territorium meer vastgesteld. Dat is niet simpelweg een gevolg van een lege telagenda. In deze jaren werden jaarlijks 41 tot 49 kavels onderzocht, samen ongeveer 14 tot 17 vierkante kilometer. De precieze dekking wisselde, maar de meest recente afwezigheid valt in een periode met brede jaarlijkse inventarisaties.1
In 2025 klonk de soort toch weer. Tijdens één bezoek werden twee dagwaarnemingen vastgelegd, ongeveer 409 meter van elkaar. De registratie bewijst minimaal één vogel, mogelijk twee. Met broedcode 2 ging het om een waarneming in geschikt broedbiotoop, niet om territoriumhoudend gedrag volgens de inventarisatieregels. De terugkeer in het waarnemingenbestand was dus hoopgevend, maar nog geen terugkeer als broedvogel.
Deel 3
Niet ieder rietveld is geschikt
Rietoppervlak is niet hetzelfde als leefgebied
De naam rietvogel kan de indruk wekken dat de aanwezigheid van riet voldoende is. Voor de Grote Karekiet telt vooral de kwaliteit en ligging ervan. Het nest hangt bij voorkeur in stevig overjarig riet dat in voldoende diep water staat. Een smalle, ijle of door wind en vraat gebroken kraag kan op een vegetatiekaart als riet verschijnen, maar voor deze zware vogel onbruikbaar zijn.
De vergelijking met andere rietvogels maakt dat zichtbaar. In 2025 telde Meijendel 136 territoria van de Kleine Karekiet, 27 van de Rietzanger, 18 van de Rietgors en 8 van de Roerdomp. Riet- en moerasvogels zijn dus niet als groep verdwenen. Iedere soort gebruikt een andere combinatie van vegetatiehoogte, water, voedsel en schaal. Geschikt riet voor een Kleine Karekiet is niet automatisch sterk en uitgestrekt genoeg voor een Grote Karekiet.1
Een recente analyse van 25 langdurig onderzochte kavels maakt die waarschuwing concreter. Tussen het begin en het einde van de periode 1997–2022 verloor de groep rietvogels ongeveer de helft van haar territoria. Opvallend genoeg kon die afname niet statistisch worden gekoppeld aan verandering van het gekarteerde rietoppervlak.78
De onderzoekers noemen veranderingen in de conditie van het riet, de waterkwaliteit, het voedselaanbod en begrazing van rietoevers als mogelijke onderdelen van de verklaring. Dat zijn geen bewezen afzonderlijke oorzaken. Wel laten ze zien waarom een kaart met “riet” niet genoeg vertelt. Voor de Grote Karekiet gaat het juist om de combinatie van stevige stengels, waterdiepte, breedte, voedsel, rust en beheer.
Deel 4
Een landelijke soort op de rand
Van gewone rietvogel naar bedreigde soort
De Nederlandse Grote Karekiet nam sinds de jaren zestig sterk af. Sovon classificeert de landelijke broedtrend over de lange termijn als een sterke afname. Na een dieptepunt zijn in enkele kerngebieden tekenen van herstel zichtbaar, mede door bescherming en herstel van waterriet. Landelijk blijft de populatie echter klein en geconcentreerd.45
Onderzoek met kleurringen laat zien dat volwassen vogels vaak trouw zijn aan een eenmaal gekozen broedgebied. Jonge vogels en nieuwkomers kunnen zich wel verplaatsen en nieuwe plekken bezetten. Dat maakt herstel van leefgebied buiten de huidige bolwerken zinvol, maar biedt geen garantie dat de soort snel verschijnt. Eerst moet geschikt riet ontstaan en daarna moet een vogel het vinden, blijven en een partner treffen.6
Lokale en landelijke ontwikkeling lopen samen
De losse territoria in Meijendel passen bij een gebied aan de rand van een sterk geslonken landelijke populatie. Uit de lokale reeks alleen kan niet worden afgeleid of veranderingen in de infiltratieplassen de verdwijning veroorzaakten. Evenmin bewijst de landelijke afname dat lokaal beheer geen verschil maakt. Waarschijnlijk werken de beschikbaarheid van vogels in de regio en de kwaliteit van het plaatselijke leefgebied samen.
Deel 5
Wat beheer wel en niet kan doen
Natte natuur staat op de agenda
De actuele beheerplannen geven deze vraag meer gewicht. Het ontwerp-Natura 2000-beheerplan voor Meijendel & Berkheide heeft voor vochtige duinvalleien met hoge moerasplanten een doel voor uitbreiding én kwaliteitsverbetering. Het plan signaleert plaatselijke verdroging, onvoldoende oppervlakte en onvoldoende verbinding tussen geschikte delen. Provincie en Dunea willen bovendien onderzoeken hoe oevers van infiltratieplassen ecologisch kunnen worden hersteld.9
Dat is nog geen herstelplan voor de Grote Karekiet. De soort behoort niet tot de aangewezen Natura 2000-doelsoorten van dit gebied. Bovendien was het beheerplan bij het schrijven van dit verhaal nog een ontwerp. Maar het betekent wel dat verbetering van natte oever- en moerasvegetaties bestuurlijk en praktisch op de agenda staat.
Het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027 geeft het provinciale kader voor natuurtypen, ambities en subsidies, maar vervangt de Natura 2000-doelen niet.10 Dunea wil tot 2030 habitats uitbreiden en verbeteren en natuurgebieden beter met hun omgeving verbinden. In de uitvoering gebruikt de beheerder onder meer maaien, begrazing en hydrologische maatregelen.1112
Ruimte voor vitaal waterriet
Voor rietvogels vraagt dat om plaatselijk maatwerk. Maaien en begrazen kunnen verruiging tegengaan, maar begrazing tot aan de waterlijn kan ook vitaal waterriet aantasten. De relevante beheervraag is daarom niet óf oevers moeten worden beheerd, maar waar ruimte wordt gelaten voor hoog, breed en stevig waterriet en waar andere natuurdoelen voorrang krijgen.
De Grote Karekiet kan daarbij als veeleisende graadmeter dienen. Zijn afwezigheid bewijst niet dat het beheer tekortschiet en zijn terugkeer kan niet worden afgedwongen. De soort maakt wel zichtbaar dat rietkwaliteit, hydrologie, voedsel, rust en beheer gezamenlijk moeten worden bekeken.
De waarneming van 2025 was daarom tegelijk klein en betekenisvol. Minimaal één vogel vond Meijendel op zijn reis. Of de zware zang ooit weer wekenlang boven een territorium klinkt, hangt van meer af dan één bezoek of één maatregel. Het begint bij oevers die niet alleen groen ogen, maar ook werkelijk als leefgebied functioneren.
Bronnen en verantwoording
- Vogelwerkgroep Meijendel (2026). Broedvogeldatabase Meijendel: territoria, dagwaarnemingen en jaarlijkse teldekking, 1958–2025.
- Vogelwerkgroep Meijendel (2008). Vijftig jaar broedvogelinventarisatie in Meijendel.
- Vogelwerkgroep Meijendel (2012). Grote Karekiet in Meijendel in 2011. Holland's Duinen 59.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Grote Karekiet: aantallen en verspreiding.
- Boele, A. et al. (2026). Broedvogels in Nederland in 2025. Sovon-rapport 2026/41.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland & Vogelbescherming Nederland. Bescherming van de Grote Karekiet: praktische handreiking; en Sovon (2025), resultaten van het kleurringenonderzoek.
- Schmidt-Tauscher, S., A. Häger & H.G.J.M. van der Hagen (2025). Changes in land cover and bird community composition in a Dutch coastal dune landscape – a two-decade study. Biodiversity and Conservation 34, 4715–4743.
- Schmidt-Tauscher, S., A. Häger & H.G.J.M. van der Hagen (2026). Veranderingen in landbedekking en vogelgemeenschap in Meijendel. Holland's Duinen 88.
- Provincie Zuid-Holland (2026). Ontwerp Natura 2000-beheerplan Meijendel & Berkheide 2026–2032.
- Provincie Zuid-Holland (2026). Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027.
- Dunea. Onze ambitie voor natuur tot 2030.
- Dunea. Onze aanpak voor natuurbeheer.