Home page Zoeken
top

Archief arrow De Zwarte Specht in Meijendel

[6 aug 2009]

De Zwarte Specht is een geheimzinnige bosvogel.

Geheimzinnig, vooral door de teruggetrokken levenswijze. Maar ook de luide roep, welke door het bos kan weergalmen, draagt eraan bij. Voor het hele ecosysteem van de Europese bossen is de Zwarte Specht een zeer belangrijke dienstverlener. Deze soort hakt elk jaar een nieuw nest uit in dikke loofbomen en voorziet zo in holten waar boommarters, bosuilen en tal van andere soorten dankbaar gebruik van maken. Zwarte spechten zijn schuw en gaan er vandoor zodra ze een mens waarnemen. Ook proberen ze wel om ongezien te blijven door aan de achterzijde van de boom waarop ze zitten te blijven. Loopt men om de boom heen dan draait de vogel mee, op die manier uit het zicht blijvend.

Tot ver in de jaren 70 werd de Zwarte Specht slechts incidenteel in Meijendel waargenomen. Daarna was er een frequentie in toename van het aantal waarnemingen, ook in de broedtijd. Vaak worden broedvestigingen voorafgegaan door een toenemend aantal losse waarnemingen in de broedtijd en inderdaad: in 1982 werd het eerste territorium vastgesteld, zie verder de grafiek territoria op de soortenpagina. De broedaanwezigheid van de Zwarte Specht in Meijendel is kort maar hevig geweest (hevig ook vanwege de luide vocalen van deze soort), met een piek in 1987.

Zwarte Specht

Na 1995 was het afgelopen met de Zwarte Specht in Meijendel. In 2004 was er nog een incidenteel geval, gebaseerd op een rondzwervend mannetje. Wel is er in de duinen bij Schoorl nog een Zwarte Specht geweest, die het langer uithield.

De cruciale vraag is: waarom is de Zwarte Specht zo snel weer uit het duin verdwenen? Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, is het nodig eerst een antwoord te zoeken op de vraag waarom die soort zich überhaupt ooit vestigde!

Het is een algemeen aanvaard principe dat vogels zich in hun zoektocht naar nestgelegenheid primair laten leiden door de aanwezigheid van geschikt voedsel voor zichzelf en hun jongen; zij maken een inschatting of er voldoende gekwalificeerd voedsel is om de kans op het grootbrengen van jongen (of: zelf overleven) zo groot mogelijk te maken. De aanwezigheid van geschikt lijkend habitat (in het geval van de Zwarte Specht bijvoorbeeld zware dennen en beukenbestanden) is niet voldoende. Het gaat om de optelsom van (primair) voedsel en (secundair) habitat.

Ook de toename van de Zwarte Specht, in die tijd, op de Veluwe en de Utrechtse heuvelrug zou deze soort kunnen hebben aangezet tot zwerfgedrag, onder andere in de richting van de duinen. Dat verklaart op zich echter nog niet, waarom zij ook in de duinen zijn gaan broeden. Als de Zwarte Specht tijdens de zwerftochten zou hebben ondervonden dat de duinen niet gekwalificeerd zijn om als broedgebied te fungeren, zouden zij tot een bepaald maximum in het midden en oosten van ons land hebben blijven broeden of elders leefruimte hebben gevonden.

De Zwarte Specht beschikt over grote territoria, maar is als BMP-soort gemakkelijk te karteren, hoewel de territoria groot kunnen zijn (200 tot 400 ha!). De roffels zijn bijzonder krachtig en bovendien is deze soort erg vocaal. Over het algemeen zijn nesten makkelijk te vinden. In Meijendel bevonden de nesten zich vooral in de meer beboste binnenduinen, en er zijn diverse nestvondsten bekend.

Bij mijn vele waarnemingen van deze soort viel het mij op dat hij altijd op de grond foerageert dan wel aan boomstronken en aan de basis van boomstammen, die vaak geheel van bast werden ontdaan. Nader onderzoek bracht steevast aan het licht dat hij op zoek was naar (larven van) de Glanzende Houtmier en andere miersoorten van het type formica, alsook naar miersoorten van het type Lasius. Deze mierensoorten waren massaal aanwezig in het duin en velen zullen zich nog de massa’s mieren herinneren die in een lang en vrijwel gesloten front wandelpaden overstaken.

Het verdwijnen van de Zwarte Specht, een beschouwing.
De vraag dringt zich op waarom deze soort het terrein verliet. Wat is er (in landschap, aanwezigheid en bereikbaarheid van voedsel, predatoren e.d. veranderd vanaf, pakweg eind jaren80/begin jaren 90? Hieronder ga ik in op de drie door mij genoemde elementen.

Een algemeen bekend verschijnsel is dat in de loop van de jaren 80 het landschap in de duinen door eutrofiëring snel veranderde. De duinen sloegen dicht met struweel, duinriet en andere grassen. Tijdens een proces van verdichting zullen kleine organismen, voor wie de grond en alles wat daar op groeit het primaire habitat zijn, daar als eerste op reageren (en pas in tweede instantie hun prooidieren).

Organismen, die als preferentiehabitat bodemvegetatie hebben, kunnen op drie manieren reageren op veranderingen (zoals verdichting) in hun habitat: aanpassen, aanvallen of verdwijnen. Ik denk dat we de conclusie kunnen trekken dat de verdichting van de bodemvegetatie heeft geleid tot een sterke achteruitgang van de Glanzende Houtmier (en wellicht ook van andere prooidieren van de Zwarte Specht). Deze achteruitgang, gepaard gaande met predatie door de Grote Bonte Specht en de op dat moment nog aanwezige Zwarte Spechten, hebben mijns inziens uiteindelijk geleid tot het (nagenoeg) verdwijnen van de Glanzende Houtmier. Met andere woorden: de reden waarom de Zwarte Specht zich ooit als broedvogel vestigde, verdween. De Zwarte Specht had weliswaar een prachtig ogend habitat, maar de voedselbron was verdwenen. Mogelijk nam daardoor ook de reproductie af.

Het is opvallend hoe vaak predatoren de schuld krijgen van het verdwijnen van soorten; en dat terwijl predatoren juist voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van prooidieren en die dus nooit zullen uitroeien. Ze hebben baat bij een gezonde prooidierpopulatie. Het is een algemeen aanvaard principe: als een prooidiersoort in aantal afneemt, neemt de predator daarvan ook af (hoewel predatoren vaak wel meer keuzemogelijkheden hebben). Maar, meestal hebben zij wel een voorkeursprooi. Als de muizenstand keldert, daalt de stand van de Torenvalk en zo zijn er wel meer voorbeelden aan te halen.

Loze opmerkingen (die helaas wel eens de pers halen) als "de Aalscholver vist alles leeg" kunnen direct naar het rijk der fabelen worden verwezen. De Aalscholver eet voornamelijk Pos (economisch niet interessant) en de mens minimaliseert de stand van de economisch rendabele vissoorten. In het geval van de Zwarte Specht wordt vaak op vergelijkbare gevoelsmatige gronden, dus meestal zonder deugdelijke onderbouwing, de Havik als schuldige aangewezen. Nu heeft de Havik een breed prooidierenspectrum, waarin spechten ook voorkomen. Echter, elke predator heeft er belang bij om zijn jachtenergie te beperken en hij richt zich dan ook op die prooidieren die het meest in zijn jachtgebied voorkomen. Met andere woorden: een predator heeft er geen belang bij zijn energie te richten op een soort, waarvan er maar een handjevol voorkomen in zijn jachtgebied.

In het specifieke geval van de Havik komt daar nog het volgende bij. De Havik vestigde zich als broedvogel in Meijendel in 1993; in dat jaar werd het eerste territorium vastgesteld. De Zwarte Specht was toen al bijna van het toneel verdwenen. En, dat elke predator zich primair richt op die geschikte prooidiersoorten die het meest aanwezig zijn, werd door de Havik op een welhaast klassieke wijze aangetoond: de Ekster en de Houtduif namen als territoriumhouder sterk in aantal af. Om die lijn nog even verder door te trekken: omdat de stand van de Ekster kelderde, nam het aantal Merels weer toe!

Samenvattend
In zijn areaaluitbreiding kon de Zwarte Specht zich in de duinen vestigen door (1e) de aanwezigheid van geschikt voedsel in (2e) een passend landschap. Omdat vervolgens het landschapsbeeld veranderde, verdwenen de bewuste prooidiersoorten en daarmee het bestaansmogelijkheden van de Zwarte Specht.

naar boven