Home page Zoeken
top

VWG-Meijendel arrow Nieuws

(22-2-2014)

Februaritelling 2014: zingende Boomleeuweriken en mezenvoorjaar


Tot dusverre zijn in 21 kavels 69 soorten gemeld (inclusief een Bosuil waargenomen tijdens een nachttelling). Op de eigenlijke teldatum werkte het weer niet zo mee (erg harde wind), maar op de dagen daaromheen leek het opnieuw lente. Tijd voor de start van de BMP-(broedvogel)tellingen?

Het lijkt in dit seizoen wel of de herfst rechtstreeks in de lente overgaat! In januari was al een recordaantal individuele vogels van de maand geteld; in februari opnieuw! De al geregeld hoorbare zang bracht me op het idee om eens te kijken naar de vogelsoorten waarvan de aanvangsdatumgrens voor geldige waarnemingen bij de broedvogeltellingen intussen is gepasseerd, zoals de Glanskop. Trouwens, ook voor de andere mezensoorten nadert de datumgrens snel. Zouden de eerste broedpogingen dit jaar met ‘de lente’ mee een beetje naar voren kunnen schuiven?

Soorten in Meijendel, waarvan de datumgrens al ‘geopend’ is, zijn: Havik, Fazant (niet meer waargenomen in Meijendel), Halsbandparkiet, Bosuil, Kleine bonte specht, Winterkoning, Glanskop, Boomklever (15 feb.), Boomkruiper en Ekster. Voor de rest van de spechten, de mezen en voor Heggenmus en Boomleeuwerik komt de datumgrens er snel aan.

Tijdens de februaritelling viel me op dat mezen zich al in paartjes aan het afzonderen zijn (vanuit de grotere groepen waarin zij ’s winters optrekken). Bovendien was het gezang ‘niet van de lucht’ (gelukkig niet letterlijk!). Naast de mezen lieten de Boomleeuweriken en Heggenmussen zich al duidelijk niet onbetuigd. Ik heb van de februaritelling daarom maar meteen een BMP-telling gemaakt en daar heb ik geen spijt van gekregen. Sterker nog, toen ik op de 17e bovendien tot een nachttelling besloot, liep ik een Bosuil (bijna letterlijk) tegen het lijf! Deze vermeld ik ook maar bij de wintertelling.

Dichtheden van de Pimpelmees in Meijendel (in aantal/km2) in de maanden februari van de afgelopen tien jaar (2005 t/m 2014). (De trendlijn is lineair.)

Inzoomend op de mezen valt op dat Kool- en Pimpelmees het al jaren vrij goed doen in Meijendel: er is sprake van een langzame maar gestage toename van de dichtheid van de Pimpelmees in februari, zo valt uit grafiek 1 op te maken (de Koolmees toont eenzelfde beeld, met in z’n geheel een iets hoger liggende dichtheden). Het verloop van de seizoensdichtheid van de Pimpelmees in de afgelopen tien jaren, vergeleken met dat in het huidige seizoen (grafiek 2), laat aardig zien dat er dit jaar mogelijk ook ‘noorderlingen’ op visite (en misschien niet doorgetrokken) waren die voor een groot deel alweer op ‘thuisreis’ lijken te zijn gegaan. Verder is natuurlijk denkbaar dat de mezen in Meijendel deze winter weinig behoefte hadden om in de tuinen van Wassenaar naar voedsel te gaan zoeken. (In voorgaande jaren werden er ’s winters veel minder Pimpeltjes geteld.)

Dichtheidsverloop tijdens herfst-/winterseizoen van Pimpelmees in Meijendel (in aantal/km2), gemiddeld over de afgelopen tien jaar vergeleken met dat in de afgelopen maanden

In afgelopen oktober is overigens een opvallende ‘dip’ te zien. Deze bleek ook bij andere mezensoorten (behalve de niet in grote aantallen voorkomende Staartmees) en bijvoorbeeld de Boomkruiper voor te komen en is waarschijnlijk toe te schrijven aan de weinige waarnemingen door het slechte weer rond de teldatum toen. Let wel: hier leest u de in mij opkomende gedachten (eventueel bij nader onderzoek te gebruiken als werkhypothese maar niet als ’n vaststaand gegeven te interpreteren).

De Glanskop en de Staartmees worden gedurende het winterseizoen in vrij stabiele dichtheden waargenomen: respectievelijk 2 à 3/km² en circa 6/km² (berekend over heel Meijendel).

Tot slot natuurlijk nog even de snoepjes van de maand: Roerdompen in kavel 2 en 17A, Blauwe kiekendief in kavel 7, Bosuil in kavel 77, IJsvogels in kavel 7 en 17A en Vuurgoudhaan in kavel 33.

Jan Westgeest, westgeest_jan@yahoo.com

naar boven